De zaak betreft een geschil over de koop van drie dressuurpaarden door eiseres, die stelde dat de paarden ongeschikt waren voor het overeengekomen gebruik in de hoogste wedstrijdklassen. Eiseres vorderde ontbinding of vernietiging van de koopovereenkomsten wegens dwaling, restitutie van de koopsommen en schadevergoeding. Diverse incidentele vorderingen, waaronder tot het stellen van zekerheid en het overleggen van bescheiden, werden eveneens behandeld.
De kantonrechter had eerder geoordeeld dat eiseres de paarden niet als natuurlijk persoon had gekocht, maar dat de koop via haar offshore bedrijf Lynton Corp. Holdings Ltd. was verlopen, dat ook de betaling had gedaan. De handelskamer van de rechtbank bevestigde dit voorlopig oordeel en oordeelde dat de vorderingen van eiseres moesten worden afgewezen omdat zij niet de contractpartij was.
In de incidentele procedures werden vorderingen tot aanvullende zekerheid en tot overlegging van bescheiden afgewezen, deels vanwege het ontbreken van belang of omdat de gevraagde stukken reeds waren overgelegd. Het verzoek om tussenkomst namens Lynton werd afgewezen omdat dit niet tijdig was ingesteld.
De rechtbank veroordeelde eiseres in de proceskosten van de hoofdzaak en compenseerde de kosten van de incidentele procedures, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De uitspraak werd gedaan door mr. M.F.M.T. Franke op 9 april 2014.