Uitspraak
[verzoekster],
[verweerder]
- een brief van mr. Van den Elzen, gedateerd 18 maart 2014;
- een brief (met bijlage) van mr. Kocken, gedateerd 18 maart 2014;
- het verzoekschrift van de raad, gedateerd 25 maart 2014;
- een brief van mr. Kocken, gedateerd 26 maart 2014;
- een brief van de stichting, gedateerd 7 april 2014;
- een brief van mr. Van den Elzen, gedateerd 8 april 2014;
- een brief van mr. Kocken, gedateerd 9 april 2014.
Wat betreft [kind 1] ziet de Raad alsmogelijkhedendat hij gedurende het onderzoek van de Raad een aantal contacten met vader heeft gehad, zowel fysieke contacten als ‘whatsapp’ contact. Vanuit de onderzoeksresultaten lijkt er, in tegenstelling tot moeders visie en zorg, in de periode dat vader in het gezin woonde (tot eind 2012) sprake te zijn geweest van een positieve band tussen [kind 1] en vader, waarbij er sprake was van een intensief contact (aangezien vader de ouder was die de dagelijkse zorg droeg) en affectie tussen beiden.
Binnen de traumabehandeling blijkt het voldoende om gesprekken te voeren met [kind 1] over het scheiden van zijn ouders, wat gedrag en uitspraken van beide ouders betekent voor een kind. Daarnaast is toegewerkt naar een ontmoeting met vader, zodat [kind 1] ook het verhaal van zijn vader kon horen. [kind 1] heeft van vader gehoord dat hij spijt had van de ruzies en het verbaal dreigende optreden. Na dit gesprek leek de weg voor [kind 1] en vader open voor het heropbouwen van contact en vertrouwen.
- er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of,
- wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
’s-Gravenhage van 7 mei 2008 (LJN BD6045) en het arrest van de Hoge Raad van
- twee keer een zaterdag gedurende een dagdeel onbegeleid contact;
- twee keer een zaterdag van 9.00 uur tot ’s avonds voor het avondeten;
- twee keer van zaterdag 9.00 uur tot zondag voor het avondeten;
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op
andere wijze bekend is geworden.