ECLI:NL:RBOBR:2014:3687

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 juni 2014
Publicatiedatum
11 juli 2014
Zaaknummer
C/01/279903 / JE RK 14/912MZ06
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:256 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek opheffing ondertoezichtstelling wegens overlijden minderjarige

De rechtbank Oost-Brabant behandelde een verzoek van Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant tot opheffing van de ondertoezichtstelling van een minderjarige. De ondertoezichtstelling was verlengd tot 5 december 2014. De minderjarige en diens moeder zijn echter overleden, waardoor het positieve perspectief op contactherstel met de vader niet kon worden gerealiseerd.

De kinderrechter overwoog dat een ondertoezichtstelling krachtens artikel 1:256 BW Pro kan worden opgeheven indien de minderjarige niet meer in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Echter, het overlijden van de minderjarige betekent dat de voorwaarde van het in leven zijn van de minderjarige niet meer is vervuld. Hierdoor is de ondertoezichtstelling van rechtswege geëindigd op het moment van overlijden.

Daarom ontbreekt de grondslag voor het verzoek tot opheffing en wordt dit afgewezen. De beschikking is uitgesproken op 20 juni 2014 door kinderrechter P.P.M. van Reijsen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open via de advocaat binnen drie maanden.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen omdat de ondertoezichtstelling door het overlijden van de minderjarige van rechtswege is geëindigd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/279903 / JE RK 14/912MZ06
Uitspraak : 20 juni 2014
Inzake :
opheffing ondertoezichtstelling
Beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Oost-Brabant, gegeven met betrekking tot de onder toezicht gestelde minderjarige:
[minderjarige] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], overleden op [overlijden],
kind van:
[ouders], overleden,
rechtens wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de vader en de moeder.
Het gezag berustte bij de moeder.

De procedure

Op 11 juni 2014 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift met bijlagen van:
BUREAU JEUGDZORG NOORD-BRABANT,
Wal 20
5611 GG Eindhoven
hierna mede te noemen de stichting, strekkende tot opheffing van de ondertoezichtstelling van bovengenoemde minderjarige met ingang van 6 juni 2014, om redenen als in de stukken omschreven
.

De feiten

Uit de stukken blijkt dat de ondertoezichtstelling met betrekking tot voornoemde minderjarige met ingang van 5 december 2013 voor de duur van een jaar verlengd is.
Uit de stukken blijkt dat moeder en de minderjarige [voornaam minderjarige] zijn overleden ten gevolge van [reden overlijden]

De beoordeling

De stichting verzoekt de kinderrechter de ondertoezichtstelling ten aanzien van voornoemde minderjarige op te heffen om de navolgende reden.
[voornaam minderjarige] woonde bij zijn moeder. De ondertoezichtstelling heeft naast het centraal stellen van de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] ook in het teken gestaan van contactherstel tussen [voornaam minderjarige] en zijn vader. Het betreffende plan daarvoor, opgesteld door moeder onder begeleiding door [begeleidende instantie] was in concept klaar. Het tragische overlijden van [voornaam minderjarige] en zijn moeder op [datum overlijden] heeft er echter voor gezorgd dat dit positieve perspectief voor de relatie met [voornaam minderjarige] en zijn vader zich niet verder heeft kunnen ontwikkelen.
Op grond van de stukken overweegt de kinderrechter als volgt.
De kinderrechter kan – indien aan de daartoe vereiste gronden is voldaan – een minderjarige onder toezicht stellen. Krachtens artikel 1:256 Burgerlijk Pro Wetboek bepaalt de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling op ten hoogste een jaar. De duur van de ondertoezichtstelling kan krachtens voornoemde bepaling telkens voor de duur van één jaar worden verlengd.
Een ondertoezichtstelling eindigt van rechtswege op het moment dat de minderjarige de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt. Tussentijds kan de kinderrechter, op verzoek van de stichting, de ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de ondertoezichtstelling opheffen als hij van oordeel is dat de minderjarige niet meer in zijn ontwikkeling wordt bedreigd.
De kinderrechter stelt vast dat de onder toezicht gestelde minderjarige [voornaam minderjarige] op [datum overlijden] is overleden. De kinderrechter overweegt dat door het overlijden van [voornaam minderjarige] aan de belangrijkste voorwaarde voor een ondertoezichtstelling, namelijk het in leven zijn van een minderjarige, niet meer is voldaan. Dit heeft dan ook tot gevolg dat de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] van rechtswege is geëindigd op het moment van zijn overlijden, derhalve op[datum overlijden].
De grondslag voor het verzoek van de stichting om de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] op te heffen ontbreekt derhalve, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.
Op grond van vorenstaande beslist de kinderrechter als volgt.

De beslissing

De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Aldus gegeven te 's-Hertogenbosch door mr. P.P.M. van Reijsen, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 juni 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.
conc: ce
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a) door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b) door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.