AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevoegdheid burgerlijke rechter wegens vernietigbaarheid arbitragebeding in onderaannemingsovereenkomst
In deze zaak staat de vraag centraal of de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het geschil tussen een aannemer en een onderaannemer, dan wel dat het geschil aan arbitrage moet worden voorgelegd. De onderaannemer stelt dat zij geen redelijke mogelijkheid heeft gehad om kennis te nemen van het arbitragebeding dat via de algemene voorwaarden van de aannemer van toepassing zou zijn.
De rechtbank stelt vast dat tussen de aannemer en diens opdrachtgever de UAV 2012 van toepassing zijn, waarin een arbitragebeding is opgenomen. Dit beding is via de algemene voorwaarden van de aannemer ook van toepassing verklaard op de relatie met de onderaannemer. Echter, de onderaannemer heeft geen exemplaar van de UAV 2012 ontvangen en kon daardoor niet redelijkerwijs kennis nemen van het arbitragebeding.
Op grond van artikel 6:233 sub b BWPro oordeelt de rechtbank dat het arbitragebeding vernietigbaar is, zodat de burgerlijke rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. De vordering van de aannemer tot onbevoegdverklaring van de rechtbank wordt afgewezen en de aannemer wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd en wijst het beroep op arbitrage af wegens vernietigbaarheid van het arbitragebeding.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Handelsrecht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/277838 / HA ZA 14-320
Vonnis in incident van 17 september 2014
in de zaak van
[eiseres]
,
gevestigd te [woonplaats 1],
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. L.E.M.A. Vermeer te Boxtel,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 1],
gevestigd te [woonplaats 1],
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 1],
gevestigd te [woonplaats 1],
gedaagden in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
advocaat mr. M. Struik te Veldhoven.
Eiseres zal hierna “[partij A]” worden genoemd. Gedaagden zullen gezamenlijk worden aangeduid met “[partij B]”.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding
de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring
de incidentele conclusie van antwoord
de akte houdende overlegging van producties door [partij B]
de antwoordakte van [partij A]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2.De beoordeling in het incident
2.1.
[partij B] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart.
2.2.
Vast staat dat op 8 april 2013 een overeenkomst van (onder)aanneming tot stand is gekomen tussen [partij B] en [partij A] BV (hierna: [partij A]), de inmiddels gefailleerde dochteronderneming van [partij A]. [partij A] heeft zich bij deze overeenkomst van (onder)aanneming verplicht om in opdracht en voor rekening van [partij B] de complete dak- en gevelbeplating te leveren en monteren voor het zogenaamde [naam]-project.
2.3.
In de hoofdzaak stelt [partij A] zich kort gezegd op het standpunt dat [partij B] haar betalingsverplichtingen uit deze overeenkomst niet is nagekomen en zij vordert (als pandhouder op de vorderingen van [partij A]) betaling van [partij B].
2.4.
[partij B] voert in haar incidentele conclusie aan dat ingevolge de toepasselijkheid en werking van haar algemene voorwaarden dit geschil aan arbitrage is onderworpen.
Zij onderbouwt dit verweer samengevat als volgt.
2.4.1.
In de overeenkomst van (onder)aanneming zijn de algemene voorwaarden van [partij B] van toepassing verklaard. In artikel 16 vanPro deze algemene voorwaarden staat:
“Alle geschillen (…) die naar aanleiding van deze overeenkomsten (…) tussen aannemer en onderaannemer mochten ontstaan, worden beslecht op de wijze zoals in de overeenkomst tussen aannemer en diens opdrachtgever is voorzien ten aanzien van eventuele geschillen tussen de aannemer en diens opdrachtgever.”
2.4.2.
Van de aannemingsovereenkomst die [partij B] sloot met haar opdrachtgever maakt deel uit het “Bestek en voorwaarden nieuwbouw bedrijfspand aan de [straat] te [woonplaats 1]” (hierna: het bestek) waarin is bepaald dat op de aannemingsovereenkomst tussen [partij B] en haar opdrachtgever de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012) van toepassing zijn, met daarin een arbitragebeding.
2.5.
[partij A] voert onder meer het verweer dat de door [partij B] gehanteerde algemene voorwaarden van onderaanneming door [partij A] wel zijn ontvangen, maar dat zij niet heeft ontvangen de opdracht en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden tussen [partij B] en haar opdrachtgever, waardoor zij geen kennis heeft kunnen nemen van het daarin opgenomen arbitragebeding.
De rechtbank oordeelt als volgt.
2.6.
De rechtbank stelt vast dat partijen het er over eens zijn dat op de met [partij A] gesloten overeenkomst van onderaanneming de algemene voorwaarden van [partij B] van toepassing zijn, waarin voor wat betreft de wijze van geschilbeslechting is verwezen naar hetgeen hierover is overeengekomen tussen [partij B] en haar opdrachtgever. Gelet op wat [partij B] hierover heeft gesteld en de door haar overgelegde stukken, acht de rechtbank aannemelijk dat tussen [partij B] en haar opdrachtgever de UAV 2012 van toepassing zijn, waarin een arbitragebeding is opgenomen. Hieruit volgt dat dit arbitragebeding, via de algemene voorwaarden van [partij B], in beginsel ook van toepassing is tussen [partij B] en [partij A].
2.7.
De rechtbank volgt [partij A] evenwel in haar verweer dat [partij B] aan [partij A] niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van dit arbitragebeding kennis te nemen zodat [partij A] (en thans in haar plaats [partij A]) met succes een beroep kan doen op de vernietigbaarheid van dit beding (artikel 6:233 sub b BWPro). Immers, indien al juist is, zoals [partij B] stelt maar [partij A] betwist, dat [partij A] het hele bestek van [partij B] heeft ontvangen, dan betekent dit slechts dat [partij A] op de hoogte was, of althans kon zijn, van het feit dat tussen [partij B] en haar opdrachtgever de UAV 2012 van toepassing waren. Daarmee was [partij A] nog niet op de hoogte van het arbitragebeding. Het bestek bevat immers slechts een verwijzing naar de UAV 2012 als zodanig en geeft geen verdere informatie over de inhoud daarvan. Dat [partij A] een exemplaar van de UAV 2012 heeft ontvangen, is door [partij B] niet gesteld en door [partij A] betwist. Bij de bijlagen bij het bestek, genoemd in de aanneemovereenkomst tussen [partij B] en haar opdrachtgever, die [partij A] volgens [partij B] zou hebben ontvangen, bevinden zich niet de UAV 2012. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat [partij A] van [partij B] geen exemplaar heeft ontvangen van de UAV 2012 en dat zij derhalve geen redelijke mogelijkheid heeft gehad om kennis te nemen van het daarin opgenomen arbitragebeding. Andere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat [partij A] niettemin bekend was of geacht moet worden te zijn geweest met het arbitragebeding in de UAV 2012 zijn niet gesteld of gebleken. De conclusie luidt dan ook dat het beroep van [partij A] op de vernietigbaarheid van het - via de algemene voorwaarden [partij B] toepasselijke - arbitragebeding slaagt. Dit betekent dat de burgerlijke rechter bevoegd is van deze zaak kennis te nemen en dat de incidentele vordering moet worden afgewezen.
2.8.
[partij B] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.
3.De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst het gevorderde af,
3.2.
veroordeelt [partij B] in de kosten van het incident, aan de zijde van [partij A] tot op heden begroot op € 678,00,
3.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 oktober 2014voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2014.