ECLI:NL:RBOBR:2014:5622

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
6 oktober 2014
Publicatiedatum
6 oktober 2014
Zaaknummer
14 _ 763
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WOZ-waarde

Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, die door verweerder was vastgesteld op €433.000. Na bezwaar verlaagde verweerder de waarde naar €402.000 en vergoedde gemaakte kosten, waaronder een taxatie.

Eiser stelde desondanks beroep in met een lagere waarde van €289.000 en voerde aan dat het taxatierapport niet zijn standpunt wijzigde. De rechtbank oordeelde dat verweerder mocht aannemen dat eiser met het taxatierapport zijn eerdere standpunt had gewijzigd en dat verweerder niet verplicht was dit te verifiëren.

Omdat verweerder volledig aan eiser tegemoet was gekomen, was het geschil beëindigd en ontbrak het belang bij verdere beoordeling. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank stelde vast dat eiser kennelijk onredelijk gebruik maakte van procesrecht door het debat over de waarde te heropenen, wat verweerder onnodige kosten bezorgde. Daarom werd eiser veroordeeld in de proceskosten van €490.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van €490.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 14/763

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser.

(gemachtigde: M.F. Rupert)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Haaren, verweerder.

(gemachtigde: T.L. Sampers)

Procesverloop

Verweerder heeft, bij beschikking van 28 februari 2013 krachtens artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), de waarde van de onroerende zaak [adres] (de woning) per waardepeildatum 1 januari 2012, voor het kalenderjaar 2013, vastgesteld op € 433.000,00. Daarbij is ook de aanslag onroerende-zaakbelasting 2013 bekendgemaakt.
Bij uitspraak op bezwaar van 14 januari 2014 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard. Daarbij is de waarde van de woning verlaagd naar
€ 402.000,00 en is de aanslag onroerende-zaakbelasting 2013 dienovereenkomstig verminderd.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2014. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1.
De rechtbank ziet zich in deze zaak gesteld voor de vraag of eiser nog wel belang heeft bij beoordeling van de rechtmatigheid het van de door hem bestreden uitspraak. De rechtbank betrekt bij de beantwoording van deze vraag de volgende feiten.
2.
Eiser heeft tegen de beschikking van 28 februari 2013 per fax van 8 april 2013 bezwaar gemaakt. Hij heeft hierin gesteld dat de waarde, gelet op bij hem beschikbare administratieve gegevens, per waardepeildatum 1 januari 2012 niet hoger kan zijn dan € 189.000,00.
In het bezwaarschrift heeft hij verder aangegeven dat hij zich het recht voorbehoudt om de gronden van het bezwaar aan te vullen.
Op 7 november 2013 heeft eiser verweerder per e-mail een in zijn opdracht opgesteld taxatierapport van B. Visker, van ILKA Taxaties te Hoorn, toegezonden.
Blijkens de door verweerder ter zitting getoonde afdruk van dit e-mailbericht heeft eiser daarin op het bijgevoegde taxatierapport gewezen en verzocht om de kosten van de taxatie te vergoeden. Het e-mailbericht bevat geen toelichting op het taxatierapport.
In het taxatierapport wordt de waarde van de woning getaxeerd op € 403.000,00.
Bij de bestreden uitspraak heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, de WOZ-waarde verlaagd naar € 402.000,00 en de door eiser in de bezwaarfase gemaakte kosten, inclusief die van de taxatie, vergoed.
3.
Eiser heeft niettemin beroep ingesteld, stellende dat hij, ongeacht de conclusies van de door hem ingeschakelde taxateur, van mening is dat de waarde van de woning niet hoger kan zijn dan € 289.000,00. Eiser heeft in dit verband ter zitting aangegeven dat hij van mening is dat verweerder er niet zonder meer vanuit mocht gaan dat hij met de indiening van het taxatierapport zijn standpunt over de aanvankelijk door hem bepleite waarde heeft prijsgegeven. Verweerder had eenvoudig bij hem kunnen navragen wat de bedoeling was van de indiening van het taxatierapport.
4.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ervan mocht uitgaan dat eiser, met de indiening van het taxatierapport, zijn aanvankelijke opvatting over de waarde van de woning heeft gewijzigd. Alleen al de omstandigheid dat hij het taxatierapport heeft ingebracht in het kader van de bezwaarprocedure duidt hierop. Voor zover eiser met de indiening van het taxatierapport niet zou hebben beoogd om verweerder ertoe te bewegen om de bij diens beschikking van 28 februari 2013 vastgestelde waarde in neerwaartse richting bij te stellen tot de daarin genoemde waarde, had het op de weg van eiser gelegen om dat aan verweerder duidelijk te maken. Verweerder behoefde, gelet hierop, niet bij eiser te verifiëren of hij bedoelde met de overlegging van het taxatierapport wijziging te brengen in het door hem aanvankelijk ingenomen standpunt over de waarde van de woning.
5.
Verweerder is met de vaststelling van de waarde op € 402.000,00, € 1.000,00 beneden de door eiser bepleite waarde, en vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten, in de uitspraak op bezwaar volledig aan eiser tegemoetgekomen. Daarmee is het geschil beëindigd.
6.
Eiser heeft onder deze omstandigheden geen belang meer bij beoordeling door de rechtbank van de rechtmatigheid van de door hem bestreden uitspraak. Het beroep zal, in verband hiermee, niet-ontvankelijk worden verklaard. Hetgeen eiser verder heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking.
7.
Eiser maakt gebruik van een professioneel rechtsbijstandverlener. Daarom kan hem worden verweten dat hij, door in beroep terug te komen op zijn eerdere opvatting over de waarde van de woning die ertoe heeft geleid dat verweerder hem volledig is tegemoetgekomen, het debat over de waarde heeft heropend en verweerder daarmee heeft genoodzaakt om verweer te voeren en daarvoor kosten te maken. De rechtbank merkt het instellen van beroep onder deze omstandigheden aan als kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om eiser te veroordelen in de door verweerder gemaakte proceskosten.
8.
Desgevraagd heeft verweerder ter zitting verklaard dat hij, ten behoeve van het verweer, een taxatierapport heeft moeten laten opstellen. De kosten hiervan heeft hij, rekening houdende met de in de jurisprudentie gehanteerde normen, gesteld op een bedrag van € 100,00, exclusief BTW, voor een niet-inpandige taxatie (2 punten maal € 50,00). De personele kosten worden door hem - conservatief - begroot op € 390,00, uitgaande van een uurtarief van de gemachtigde van € 65,00, dat door die gemachtigde ook aan andere bestuursorganen voor het verrichten van werkzaamheden in rekening wordt gebracht en een tijdsbesteding van 6 uren.
De rechtbank acht deze kosten redelijk en redelijkerwijs gemaakt. Zij komen dan ook voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt eiser in de door verweerder gemaakte proceskosten ten bedrage van € 490,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. Hooghuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2014.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.