ECLI:NL:RBOBR:2014:6280

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
15 oktober 2014
Publicatiedatum
21 oktober 2014
Zaaknummer
C/01/283936 / HA ZA 14-698
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling facturen wegens ontbreken belang bij contante betaling

Eiseres vordert betaling van facturen voor geleverde goederen ter waarde van €25.060,40 plus wettelijke handelsrente en incassokosten. Gedaagde is niet verschenen maar heeft volgens eiseres steeds bereidheid getoond om het bedrag contant te voldoen. Eiseres weigert contante betaling vanwege veiligheidsredenen en verzekeringskwesties en verlangt betaling per bankoverschrijving.

De rechtbank oordeelt dat contant geld een wettig betaalmiddel is en dat een schuldenaar in beginsel vrij is om contant te betalen. Er zijn geen afspraken tussen partijen over een specifieke betalingswijze gesteld of gebleken. Zonder een dergelijke afspraak ontbreekt een grondslag voor eiseres om betaling per bankoverschrijving te eisen.

Omdat eiseres in haar vordering niet uitdrukkelijk betaling per bankoverschrijving heeft geëist en geen nadere toelichting heeft gegeven, ontbreekt het aan een rechtens te respecteren belang bij haar vordering. Daarom worden de vorderingen afgewezen en wordt eiseres veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen tot betaling van facturen worden afgewezen wegens ontbreken van belang bij de gevorderde betalingswijze.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/283936 / HA ZA 14-698
Vonnis van 15 oktober 2014
in de zaak van
de vennootschap onder firma
[eiseres],
gevestigd te [eiseres],
eiseres,
advocaat mr. L.M. Dressel te Best,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde],
gevestigd te [woonplaats],
gedaagde,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding;
  • het tegen gedaagde verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eiseres vordert betaling van facturen voor door haar aan gedaagde geleverde goederen tot een bedrag in hoofdsom van in totaal € 25.060,40, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW en te vermeerderen met een bedrag van € 1.025,60 wegens buitengerechtelijke incassokosten.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat deze vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking komen, omdat eiseres bij die vorderingen geen rechtens te respecteren belang heeft. Volgens de eigen stellingen van eiseres is gedaagde immers bereid - en kennelijk steeds bereid geweest - om het bedrag in hoofdsom van € 25.060,40 contant aan eiseres te betalen. Eiseres heeft dat betalingsaanbod vervolgens geweigerd, omdat zij geen contante betaling wenst, maar een betaling per bankoverschrijving. Volgens eiseres bestaat er voor haar geen enkele verplichting om contante betaling te accepteren. Eiseres stelt gegronde redenen te hebben om contante betaling van dermate grote bedragen te weigeren. Uit het oogpunt van veiligheid acht eiseres het namelijk onwenselijk een medewerker met contant geld over straat te laten gaan en eiseres is in dergelijke situaties niet verzekerd mocht de betreffende medewerker worden overvallen.
De rechtbank kan eiseres niet in dit standpunt volgen en zij stelt daarbij voorop dat contant geld (eurobiljetten en -munten) in Nederland een wettig betaalmiddel is (zijn). In beginsel staat het een schuldenaar daarom vrij om een vordering van zijn schuldeiser te voldoen middels een contante betaling, waardoor de betalingsverplichting teniet gaat. Het is aan de contractspartijen om bij het sluiten van een overeenkomst over de wijze van nakoming van een betalingsverplichting - contant, bankoverschrijving of anderszins - onderlinge andersluidende afspraken te maken in die zin, dat een bepaalde betalingswijze wordt voorgeschreven of juist uitgesloten. Dat eiseres en gedaagde in casu een dergelijke afspraak hebben gemaakt is gesteld noch gebleken. Een grondslag voor eiseres om betaling middels bankoverschrijving te eisen van gedaagde ontbreekt dan. De stelling van eiseres dat zij niet inziet waarom een bankoverschrijving voor gedaagde bezwarend zou zijn, maakt dit niet anders.
Tegen deze achtergrond valt zonder een nadere toelichting, die eiseres niet heeft gegeven, niet in te zien welk belang eiseres bij haar vordering tot betaling van de factuurbedragen heeft. Dit klemt temeer, nu eiseres in het petitum van de dagvaarding enkel vordert dat gedaagde wordt veroordeeld om voormelde bedragen aan haar te voldoen. Eiseres vordert niet - althans, niet uitdrukkelijk - dat die voldoening middels een bankoverschrijving dient te geschieden. Als dat wel de bedoeling van eiseres is geweest, had het op haar weg gelegen dat duidelijk kenbaar in het petitum te verwoorden.
Met de afwijzing van de gevorderde hoofdsom, ontvalt de rechtsgrond voor toewijzing van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.
2.3.
De vorderingen zullen worden afgewezen en eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagde worden begroot op nihil.

3.De beslissing

De rechtbank,
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.F.M.T. Franke en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2014.