De gemeente was voornemens enkele straten te reconstrueren en stelde dat zij eigenaar was van de strook grond grenzend aan het perceel van gedaagde. De gemeente vorderde ontruiming van deze strook grond omdat zij meende dat gedaagde deze onrechtmatig gebruikte. Gedaagde stelde dat zij door onafgebroken bezit gedurende meer dan 20 jaar eigenaar was geworden via verkrijgende verjaring.
De rechtbank stelde vast dat gedaagde de strook grond sinds begin jaren negentig in bezit had genomen door deze af te schermen met een hoge heg en een aarden wal, waardoor de gemeente geen toegang meer had. De gemeente had geen bezwaar gemaakt tegen dit gebruik en had de verjaringstermijn op 7 augustus 2012 gestuit.
De rechtbank concludeerde dat het bezit van gedaagde ondubbelzinnig was en dat de gemeente had moeten begrijpen dat zij haar eigendom zou verliezen. Hierdoor was de verkrijgende verjaring voltooid en werd de vordering van de gemeente afgewezen. De gemeente werd veroordeeld in de proceskosten en nakosten van gedaagde.