ECLI:NL:RBOBR:2014:6310
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzet tegen strafbeschikking door gemachtigde werknemer rechtspersoon
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het verzet tegen een strafbeschikking centraal, ingediend door een gemachtigde werknemer namens een rechtspersoon. De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 257e, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering het verzet persoonlijk op het parket moet worden gedaan door de gemachtigde. Dit geldt ook voor rechtspersonen, waarbij de bestuurder of advocaat namens de rechtspersoon bij geschrift verzet kunnen doen, maar een werknemer die gemachtigd is dit te doen, dit persoonlijk moet doen.
De verdediging voerde aan dat artikel 528 Sv Pro het mogelijk maakt dat een vertegenwoordiger van de rechtspersoon kan verschijnen bij gemachtigde, maar de rechtbank verwierp dit en stelde dat de hoofdregel van artikel 257e Sv ook voor rechtspersonen geldt. Hierdoor werd het verzet door de gemachtigde werknemer niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de procedurele regels rond verzet tegen strafbeschikkingen en benadrukt het belang van persoonlijke verschijning op het parket bij gemachtigden die niet bestuurder of advocaat zijn van de rechtspersoon.
Uitkomst: Het verzet tegen de strafbeschikking is niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet persoonlijk op het parket is gedaan door de gemachtigde werknemer.