ECLI:NL:RBOBR:2014:7182

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 november 2014
Publicatiedatum
24 november 2014
Zaaknummer
C/01/286479 / BP RK 14-1175
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:273 lid 1 BWArt. 3:373 lid 1 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verlof conservatoir beslag op onroerende zaken wegens onvoldoende aannemelijkheid koopovereenkomst

Verzoekster heeft bij de rechtbank Oost-Brabant een verzoek ingediend tot het verkrijgen van verlof voor het leggen van conservatoir beslag tot levering van onroerende zaken, bestaande uit tuinland en cultuurgrond te een woonplaats. Zij stelt dat zij een mondelinge koopovereenkomst met de gerekestreerden heeft gesloten, maar heeft het bestaan van deze overeenkomst onvoldoende aannemelijk gemaakt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat uit de overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat er een mondelinge koopovereenkomst is gesloten. Daarnaast is onduidelijk wie de verkopende partij is, aangezien de onroerende zaken onderdeel zijn van een executoriale verkoop door Rabobank Peelland Zuid en/of Rabobank Nederland als hypotheekhouders. Verzoekster heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Rabobank Peelland Zuid slechts een beperkte rol speelt en dat er toestemming is gegeven namens beide banken.

Verder weegt de voorzieningenrechter de belangen af en constateert dat het beoogde beslag niet aan de overdracht aan de veilingkopers in de weg staat. Een van de kopers is een plaatselijke varkensboer die anders onevenredig wordt benadeeld. Het belang van verzoekster bij het verkrijgen van het beslag is gering, mede omdat het beslag vervalt door levering en betaling van de koopprijs volgens artikel 3:273 lid 1 BW Pro.

Op grond van deze overwegingen wijst de voorzieningenrechter het verzoek tot verlof conservatoir beslag af.

Uitkomst: Het verzoek tot verlof conservatoir beslag op onroerende zaken wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van de koopovereenkomst en onduidelijkheid over de verkopende partij.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rekestnummer: C/01/286479 / BP RK 14-1175
Beschikking van de voorzieningenrechter van 20 november 2014
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster],
gevestigd te [woonplaats],
verzoekster,
advocaat mr. S.H.W. Le Large te Utrecht,
en

1.[gerekestreerde sub 1],

wonende te [woonplaats],
2.
PETRONELLA GERARDA ANTONIA JOSEPHA VAN LIEROP,
wonende te [woonplaats],
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gerekestreerde sub 3],
gevestigd te [woonplaats],
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gerekestreerde sub 4],
gevestigd te [woonplaats],
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gerekestreerde sub 5],
gevestigd te [woonplaats],
gerekestreerden,
niet opgeroepen.

1.De procedure

1.1.
Verzoekster heeft op 17 november 2014 een verzoekschrift met 9 producties ingediend dat strekt tot het verkrijgen van verlof voor het leggen van conservatoir beslag tot levering van onroerende zaken.
1.2.
De advocaat van verzoekster is op 17 november 2014 naar aanleiding van het verzoekschrift gehoord.

2.De beoordeling

2.1.
Het verzoek sterkt tot het verkrijgen van verlof voor het leggen van conservatoir beslag tot levering op een aantal onroerende zaken (tuinland en cultuurgrond te [woonplaats]). Het verzoek zal worden afgewezen. Verzoekster legt aan haar verzoek ten grondslag dat tussen haar en gerekestreerden een koopovereenkomst tot stand is gekomen uit hoofde waarvan verzoekster van gerekestreerden de bewuste onroerende zaken zouden hebben gekocht, maar heeft het bestaan van een dergelijke overeenkomst onvoldoende aannemelijk gemaakt. De door verzoekster gestelde overeenkomst zou mondeling tot stand zijn gekomen. Dat kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende worden afgeleid uit de overgelegde stukken. Daar komt bij dat onduidelijk is of gerekestreerden in dezen wel als verkoper hebben opgetreden. Er is immers sprake van een executoriaal verkooptraject dat is ingezet door Rabobank Peelland Zuid en/of Rabobank Nederland als hypotheekhouders. Dat de rol van Rabobank Peelland Zuid slechts beperkt zou zijn tot het afgeven van een royementsverklaring, is door verzoekster onvoldoende aannemelijk gemaakt. Voor zover Rabobank Nederland al goedkeuring zou hebben verleend, zoals verzoekster stelt, dan mocht verzoekster er onder de gegeven omstandigheden niet vanuit gaan dat die toestemming ook was gegeven namens Rabobank Peelland Zuid omdat de makelaar zou hebben aangegeven dat Rabobank Nederland besliste in deze zaak. Het is dus maar de vraag of niet Rabobank Nederland en Rabobank Peelland Zuid als verkopende partij moet worden aangemerkt.
2.2.
Afweging van de betrokken belangen staat eveneens aan het verlenen van verlof in de weg. Strekking van het beoogde beslag tot levering is voorkomen dat de onroerende zaken worden geleverd aan de veilinkopers. Een van die kopers is kennelijk een plaatselijke varkensboer die een klein deel van de onroerende zaken heeft gekocht. Indien de levering niet zou doorgaan dan wordt deze koper onevenredig zwaar in zijn belangen getroffen. Het belang van verzoekster bij het verkrijgen van verlof lijkt daarentegen zeer gering te zijn. Het beoogde beslag staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter namelijk niet aan een (onvoorwaardelijke) overdracht aan de veilingkopers in de weg. Het gaat immers om een overdracht ingevolge een executoriale verkoop zodat een door verzoekster gelegd beslag ingevolge artikel 3:273 lid 1 BW Pro vervalt door de levering en betaling van de koopprijs.
2.3.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het verzoek zal worden afgewezen.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Loesberg op 20 november 2014.