Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 25 juni 2014
- het proces-verbaal van comparitie van 8 oktober 2014.
Rechtbank Oost-Brabant
De rechtbank Oost-Brabant behandelde een zaak waarin een statutair directeur, tevens werknemer, stelde dat zijn ontslag kennelijk onredelijk was vanwege een vermeende valse of voorgewende reden en de ernst van de gevolgen voor hem. De werkgever had de directeur ontheven van zijn statutair directeurschap en de arbeidsovereenkomst beëindigd vanwege bedrijfseconomische omstandigheden en een herstructurering.
De rechtbank overwoog dat de beëindiging van het statutair directeurschap niet automatisch het einde van de arbeidsovereenkomst betekende. De werknemer had onvoldoende onderbouwd dat de opgegeven economische redenen onjuist waren. De functie van Regional Business Vice President Central Europe was niet volledig vervallen, maar de nieuwe functie verschilde substantieel en werd tegen een lager salaris uitgevoerd.
Bij de belangenafweging werd rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zijn leeftijd, de duur van het dienstverband, en het feit dat hij direct na ontslag een nieuwe baan vond met een vergelijkbaar salaris. De rechtbank concludeerde dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was gegeven de wederzijdse belangen.
De vordering tot betaling van een incentive over 2013 werd afgewezen omdat deze niet op schadevergoeding maar op nakoming van de arbeidsovereenkomst zag, waarvoor de schadestaatprocedure niet bedoeld is. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen wegens kennelijk onredelijk ontslag en betaling van incentives af en veroordeelt eiser in de proceskosten.