Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.[verzoeker 1], wonende te [woonplaats],
[verzoeker 3],
[verzoeker 4],
ABN AMRO BANK N.V.,
Rechtbank Oost-Brabant
Verzoekers hebben een verzoek ingediend op grond van artikel 3:268 lid 2 BW Pro tot toestemming voor onderhandse verkoop van onroerende zaken. De bank had echter de openbare executieveiling van deze zaken ingetrokken nadat zij ontdekte dat de huurovereenkomst van een van de panden was verlengd, terwijl zij dacht dat deze zou eindigen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de bank bevoegd is om een eenmaal ingezette openbare verkoop te staken, omdat artikel 3:268 lid 1 BW Pro dit als een bevoegdheid en geen verplichting omschrijft. De bank handelde niet misbruikmakend, omdat de verlenging van de huurovereenkomst pas tijdens de procedure aan haar bekend werd en dit een materiële invloed heeft op de veilingvoorwaarden en taxatie.
Daarnaast wekt de betrokken koper, een vennootschap van de zoon van een verzoeker, de indruk van een vooropgezet plan met verzoekers, wat de bank reden geeft om de veiling te staken en het vervolgtraject te heroverwegen. Het verzoek tot toestemming voor onderhandse verkoop wordt daarom afgewezen en er worden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot toestemming voor onderhandse verkoop wordt afgewezen wegens geen misbruik van bevoegdheid door de bank bij het staken van de openbare verkoop.