Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.[gekwestreerde 1], wonende te [woonplaats],
[gekwestreerde 2], wonende te [woonplaats],
[gekwestreerde 3], gevestigd te [vestigingsplaats],
[gekwestreerde 4], gevestigd te [vestigingsplaats],
Rechtbank Oost-Brabant
De bank heeft op 29 oktober 2014 een verzoek ingediend tot verlof voor onderhandse executieverkoop van een onroerende zaak. Gerekestreerden hebben hiertegen bezwaar gemaakt en zelf een verzoek ingediend tot onderhandse executieverkoop. Na het indienen van het bezwaarschrift heeft de bank haar verzoek op 10 december 2014 ingetrokken vanwege nieuwe informatie over een verlengde huurovereenkomst, die niet was meegenomen in de oorspronkelijke koopovereenkomst.
Gerekestreerden hebben verzocht om de bank te veroordelen in de proceskosten, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat de intrekking van het verzoek gerechtvaardigd is gezien de gewijzigde omstandigheden. De bank verkeerde in de onjuiste veronderstelling dat de huurovereenkomst per 30 november 2014 zou eindigen, terwijl deze vijf jaar was verlengd.
De rechtbank stelt vast dat gerekestreerden de bank niet eerder op de hoogte hebben gesteld van de huuroverlenging en dat de intrekking niet betekent dat de bank de bezwaren erkent. Daarom is er geen grond voor een proceskostenveroordeling. Het verzoek van gerekestreerden wordt afgewezen.
Uitkomst: Verzoek tot proceskostenveroordeling van de bank wordt afgewezen na intrekking van het verzoek tot goedkeuring van de koopovereenkomst.