ECLI:NL:RBOBR:2015:1352
Rechtbank Oost-Brabant
- Voorlopige voorziening
- M. van de Brink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning op grond van artikel 13b Opiumwet
Verzoekers zijn eigenaar en bewoners van een perceel met een woning, bijgebouw en bedrijfsloods. Tijdens een politieonderzoek werden in de woning drie vuurwapens en aanzienlijke hoeveelheden hard- en softdrugs aangetroffen, waaronder hasjiesj, crystal methamfetamine en cocaïne. De burgemeester legde op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op tot sluiting van de woning en het bijgebouw voor drie maanden.
Verzoekers maakten bezwaar tegen het besluit en verzochten de voorzieningenrechter om schorsing van de sluiting. Zij stelden onder meer dat er geen sprake was van verkoop of verstrekking van drugs, dat de sluiting disproportioneel was, vooral voor de nagelstudio in het bijgebouw, en dat de begunstigingstermijn onredelijk kort was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de enkele aanwezigheid van handelshoeveelheden drugs voldoende is voor het opleggen van bestuursdwang en dat de burgemeester bevoegd was het besluit te nemen. De belangenafweging wees uit dat de ernst van de feiten een sluiting van drie maanden rechtvaardigt, ook gezien het handhavingsbeleid. De bezwaren van verzoekers faalden, waaronder het argument over disproportionaliteit en de begunstigingstermijn.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en bevestigde dat het besluit tot sluiting van de woning en het bijgebouw gehandhaafd blijft. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om schorsing van de sluiting van de woning en het bijgebouw wordt afgewezen en het besluit blijft gehandhaafd.