Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Stichting Area
Rechtbank Oost-Brabant
In deze zaak staat centraal of verhuurder aan huurder een aparte vergoeding mag vragen voor het gebruik van zonwering bij een gehuurde woning, en of de zonwering als roerende of onroerende zaak moet worden beschouwd.
De huurder betaalde naast de kale huur een vaste vergoeding voor zonwering, maar betwistte de rechtmatigheid hiervan. De Huurcommissie oordeelde dat zonwering onroerend is en daarom in de kale huurprijs moet zijn inbegrepen. Verhuurder stelde dat de zonwering een roerende zaak is omdat deze niet duurzaam met de grond is verenigd en eenvoudig kan worden verwijderd zonder noemenswaardige schade.
De kantonrechter oordeelt dat de zonwering geen bestanddeel is van het gehuurde en ook geen duurzaam met de grond verenigd werk vormt. De bevestiging met bouten en de aanwezigheid van een schakelaar leiden niet tot onroerendheid. De zonwering is een roerende zaak, zodat verhuurder een aparte vergoeding mag vragen. De vergoeding van €12,95 per maand wordt als redelijk beoordeeld. De tegenvorderingen van huurder wegens onverschuldigde betalingen worden afgewezen.
De huurder wordt veroordeeld in de kosten van de procedure. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De zonwering is een roerende zaak en verhuurder mag een aparte vergoeding van €12,95 per maand vragen; de tegenvorderingen van huurder worden afgewezen.