Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte],
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
Wij, verbalisanten, hebben daarop beide voertuigen gevolgd en zagen dat deze rechtsaf sloegen en de Meester van Coothstraat te Lith in reden. (…) Wij, verbalisanten, zagen dat de personenauto van het merk Honda de personenauto van het merk Audi aan de linkerzijde passeerde. Wij, verbalisanten, zagen dat betrokkene [verdachte] ons dienstvoertuig opzettelijk blockte daar hij midden op de weg ging rijden en ons kennelijk expres hinderde zodat de personenauto van het merk Honda kon ontkomen. Wij, verbalisanten, trachtten op meerdere manieren de betreffende Audi in te halen echter betrokkene [verdachte] sneed bij iedere poging tot inhalen ons de weg af. Wij reden met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, volgens de geijkte snelheidsmeter van het dienstvoertuig. Wij verklaren dat de acties van betrokkene [verdachte] zeer veel gevaar opleverde daar verbalisant meerdere malen hard moest remmen om een aanrijding te voorkomen.
Wij, verbalisanten, verklaren dat bestuurder [verdachte] vanaf nu zal worden aangeduid als verdachte ter zake het opzettelijk belemmeren van ambtshandelingen alsmede artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994”
Wij, verbalisanten, zagen dat de bestuurder van de Honda een gehele ronde reed over de rotonde en weer de Meester van Coothstraat op reed in de richting van Lith. Wij, verbalisanten, hebben daarop ook de rotonde volledig rond gereden en kwamen daarop weer uit op de Meester van Coothstraat in de richting van Lith. Ik, verbalisant [slachtoffer 2], versnel daarop zo snel mogelijk het dienstvoertuig. Ik, verbalisant [slachtoffer 1], zag dat de geijkte snelheidsmeter van het dienstvoertuig ongeveer 80 kilometer per uur aangaf. Wij, verbalisanten, zagen daarop dat de betreffende Audi met hoge snelheid in onze richting kwam rijden. Wij, verbalisanten, zagen dat nadat de Honda de Audi personenauto was gepasseerd dat verdachte [verdachte] zijn personenauto recht op onze dienstauto afstuurde. Wij, verbalisanten, zagen dat hij kennelijk voornemens was om ons van de weg te rijden. Wij, verbalisanten, verklaren dat wij beide ernstig vreesde voor een frontale aanrijding. Ik, verbalisant [slachtoffer 2], heb in een reflex het dienstvoertuig naar onze rechterzijde gestuurd. Wij, verbalisanten, zagen en voelden dat we met de twee rechterbanden ver in de berm kwamen. Ik, verbalisant [slachtoffer 2], verklaar dat ik het dienstvoertuig net onder controle kon houden. Wij, verbalisanten, verklaren dat er vele bomen langs de betreffende weg aanwezig zijn. Wij, verbalisanten, verklaren dat een aanrijding net is afgewend door de reflexmatige beweging van collega [slachtoffer 2] Wij, verbalisanten, verklaren dat een aanrijding danwel het verlies van de controle over het voertuig dodelijk zou zijn geweest gezien de plaats, snelheid en manier waarop de aanrijding zou hebben plaatsgevonden.”
Toen ons dienstvoertuig gedeeltelijk in de berm reed zag ik dat de Audi met de nog steeds hoge snelheid reed in de richting van de bestuurdersdeur. (…) Doordat ik met ons dienstvoertuig in de berm reed heeft de Audi ons op een ontzettend kleine afstand gepasseerd.”