ECLI:NL:RBOBR:2015:2632

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2015
Publicatiedatum
1 mei 2015
Zaaknummer
01/845280-14
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen van drugshandel in cocaïne met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk verkopen, afleveren en vervoeren van cocaïne in de periode van 1 november 2013 tot en met 17 april 2014. De tenlastelegging werd beperkt tot deze periode op basis van getuigenverklaringen die aangaven dat de handel vanaf die datum plaatsvond.

De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte samen met een ander harddrugs heeft verhandeld, een strafbaar feit onder de Opiumwet. De strafbaarheid van verdachte werd niet betwist en er waren geen omstandigheden die deze uitsloten. De rechtbank nam bij de strafoplegging de ernst van het feit en de schadelijke gevolgen van harddrugsgebruik mee, evenals het feit dat verdachte niet eerder was veroordeeld.

De opgelegde straf bestaat uit 73 dagen gevangenisstraf, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een onvoorwaardelijke taakstraf van 140 uur. De rechtbank vond deze straf passend en voldoende om de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking te brengen. Daarnaast werden vijf inbeslaggenomen sealbags onttrokken aan het verkeer.

De rechtbank wees een hogere gevangenisstraf dan 73 dagen af, ondanks de eis van zes maanden, omdat zij van oordeel was dat de opgelegde straf voldoende recht doet aan de ernst van het delict. Het vonnis werd gewezen door een meervoudige kamer en uitgesproken op 4 mei 2015.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 73 dagen gevangenisstraf waarvan 60 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 140 uur voor medeplegen van handel in cocaïne.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht
Parketnummer: 01/845280-14
Datum uitspraak: 04 mei 2015
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1988],
wonende te [adres 1].
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 december 2014 en 20 april 2015.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 31 oktober 2014.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2013 tot en met 17 april 2014 te Son en Breugel en/of andere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(artikel 2 aanhef Pro en onder B Opiumwet)
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverweging.

De rechtbank zal de tenlastegelegde periode verkorten, in die zin dat de rechtbank uitgaat van de periode vanaf 1 november 2013, op grond van de verklaring van de [getuige 1], die op 6 april 2014 bij de politie heeft verklaard dat hij voor het eerst een half jaar geleden bij [verdachte] cocaïne kocht (p. 315), en van de [getuige 2], die op 29 april 2014 bij de politie heeft verklaard dat hij in de zomer van 2013 drugs bij [verdachte] heeft gekocht (p. 297).

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
in de periode van 1 november 2013 tot en met 17 april 2014 te Son en Breugel en/of andere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

6 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar,
verbeurdverklaring van 5 sealbags.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft samen met zijn mededader gehandeld in harddrugs. Het is algemeen bekend dat die verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen.
De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 73 dagen. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van 60 dagen voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast acht de rechtbank het opleggen van een taakstraf voor de duur van 140 uur passend en geboden.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid en de voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36b, 36c, 47, 57
Opiumwet art. 2, 10.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B vande Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en maatregel.
* Gevangenisstraf voor de duur van 73 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
* Taakstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis.
* Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten: 5 sealbags.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.Th. van Vliet, voorzitter,
mr. H.A. van Gameren en mr. M.M.J. Nuijten, leden,
in tegenwoordigheid van L.M.E. de Roo, griffier,
en is uitgesproken op 4 mei 2015.
Mr. M.M.J. Nuijten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.