Op 15 december 2014 heeft verdachte opzettelijk brand gesticht in haar woning, waarbij gemeen gevaar voor het interieur van haar woning en de aangrenzende woning en de daarin aanwezige goederen te duchten was. De brand bleef beperkt tot de woning van verdachte doordat zij vooraf de gaskraan had dichtgedraaid. De rechtbank achtte levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de buren niet bewezen en sprak verdachte daarvan vrij.
De rechtbank baseerde haar oordeel op bekennende verklaringen van verdachte, verklaringen van een brandweergetuige en een forensisch brandonderzoek. Verdachte werd strafbaar verklaard voor het opzettelijk brandstichten met gemeen gevaar voor goederen.
Uit rapportages van een psycholoog en psychiater bleek dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit sterk verminderd toerekeningsvatbaar was. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de maatschappelijke onrust die het veroorzaakt en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar blanco strafblad en bereidheid tot behandeling.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 702 dagen op, waarvan 540 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Aan de voorwaardelijke straf werden bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder een klinische opname in FPA De Mare, meldplicht en naleving van reclasseringsvoorschriften. De voorlopige hechtenis werd geschorst om de behandeling te laten aanvangen.
De rechtbank verwierp het standpunt van de verdediging dat levensgevaar bewezen was, maar nam het advies van deskundigen en reclassering over om een straf met behandeling op te leggen ter voorkoming van recidive.