ECLI:NL:RBOBR:2015:371

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
26 januari 2015
Publicatiedatum
26 januari 2015
Zaaknummer
01/993217-09
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens aannemen giften als ambtenaar

Verdachte is door het gerechtshof veroordeeld voor het als ambtenaar aannemen van giften met het oogmerk om zijn plicht te schenden of zonder plichtsverzuim iets te doen of na te laten. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €20.500, later verlaagd naar €18.000.

De verdediging stelde dat het geld een lening betrof die volledig was terugbetaald, onderbouwd met een kwitantie. De rechtbank onderzocht de verklaringen van verdachte en de vermeende schenker, waarbij de verklaring van de schenker bij de Rijksrecherche dat geen leningen zijn verstrekt doorslaggevend werd geacht.

De rechtbank concludeerde dat het niet aannemelijk is dat het geld een lening betrof, mede vanwege het ontbreken van schriftelijke afspraken, wisselende verklaringen van verdachte en financieel onderzoek. Het terugbetalen van het bedrag vond pas plaats nadat de zaak aan het licht kwam en doet niet af aan het wederrechtelijk karakter.

Gezien de overschrijding van de redelijke termijn werd een korting van 10% toegepast, waardoor het definitieve bedrag van het ontnemingsvoordeel op €18.000 werd vastgesteld. De rechtbank legde verdachte de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen.

Uitkomst: Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €18.000 opgelegd aan verdachte.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht
Parketnummer ontneming: 01/993217-09
Datum uitspraak: 26 januari 2015
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1950],
wonende te [woonplaats], [adres].

Onderzoek van de zaak.

De oorspronkelijke vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 20.500,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie wijzigt de vordering in die zin dat thans een bedrag ad € 18.000,- wordt gevorderd.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 mei 2013 en 15 december 2014.

Onderliggende strafzaak.

Betrokkene is op 27 december 2012 bij arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, veroordeeld voor:
Als ambtenaar een gift aannemen, redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd
Als ambtenaar een gift aannemen, redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij zijn vordering en heeft daarvoor aansluiting gezocht bij het ontnemingsdossier [naam] inzake [verdachte] van 8 september 2010.
Met de Rijksrecherche acht de officier van justitie het aannemelijk dat [verdachte] €20.500,- aan giften van [persoon 1] heeft ontvangen. De verklaring van [verdachte] inhoudende dat hij voornoemd bedrag als lening heeft ontvangen, acht de officier van justitie, gelet op de omstandigheden waaronder het geld is verkregen, niet aannemelijk. De officier van justitie houdt [persoon 1] aan zijn eerste verklaring, afgelegd bij de Rijksrecherche. Het feit dat [verdachte] stelt dat hij voornoemd bedrag inmiddels heeft terugbetaald aan [persoon 1] doet niet ter zake omdat voornoemd bedrag dan nog steeds als wederrechtelijk verkregen moet worden beschouwd. Met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn, dient een korting van maximaal 10% te worden toegepast en dient aan [verdachte] te worden ontnomen een bedrag van € 18.000,00.
De raadsman van [verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] het geld als lening van [persoon 1] heeft ontvangen en dat de lening ook daadwerkelijk is terugbetaald aan [persoon 1]. Er is een kwitantie van betaling voorhanden, welke de raadsman aan de rechtbank heeft overgelegd. Het eventuele voordeel dat [verdachte] zou hebben gehad, is teniet gedaan door het terugbetalen van het volledige bedrag. De raadsman gaat uit van de verklaring van [persoon 1], zoals deze is afgelegd in hoger beroep ten overstaan van het gerechtshof. De rechtbank dient rekening te houden met het feit dat het geld inmiddels is terugbetaald. De ontnemingsvordering dient volgens de raadsman te worden vastgesteld op nihil dan wel op € 500,-. Met in achtneming van de overschrijding van de redelijke termijn, moet het te ontnemen bedrag op nihil worden vastgesteld.

Bewijs.

Bronnen.
 Een proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, door de Rijksrecherche, regio Zuid, onderzoek 20070024 [naam], afgesloten d.d. 8 september 2010, pagina’s: 439 (hierna: Ontnemingsdossier).

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat de vordering tijdig is ingediend.
Op 23 maart 2009 werd in de woning van betrokkene ([adres] te [woonplaats]) een doorzoeking verricht, waarbij een geldbedrag, groot € 23.767,65, in meerdere enveloppen, in beslag werd genomen. [1]
Betrokkene heeft op 23 maart 2009 verklaard dat hij in 2008 ongeveer € 20.000,- heeft geleend van [persoon 1]. Deze lening is niet contractueel vastgelegd. Betrokkene heeft dit geld in twee etappes ontvangen. Het geld zat beide keren in een blanco envelop. De eerste keer zat er € 8.500,- in en de tweede keer een bedrag van om en nabij de € 20.000,-. Betrokkene hoefde van [persoon 1] geen rente te betalen en er was geen termijn afgesproken waarop de lening moest zijn terugbetaald. [2]
[persoon 1] heeft in zijn vijfde verhoor bij de Rijksrecherche d.d. 27 januari 2009 verklaard dat hij geen leningen heeft verstrekt aan anderen, niet zakelijk en niet privé. [3]
Evenals het gerechtshof gaat de rechtbank uit van voornoemde verklaring van [persoon 1], gelet op het feit dat hij in de daarop volgende 35 verhoren bij de Rijksrecherche niet op deze verklaring is teruggekomen. De door[persoon 1] ter zitting in hoger beroep afgelegde verklaring volgt de rechtbank derhalve niet. Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gesteld dan wel (overigens) aannemelijk geworden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat aan de verklaring bij de Rijksrecherche d.d. 27 januari 2009 minder geloof zou moeten worden gehecht dan aan de door hem ter terechtzitting in hoger beroep als getuige betrokken stelling.
Evenals het gerechtshof acht de rechtbank, gelet op de omstandigheden dat op geen enkele manier is vastgelegd dat het bij het door [persoon 1] aan betrokkene gegeven geld om een lening ging, dat geen aflossingstermijn is afgesproken, de op onderdelen wisselende verklaringen van verdachte met betrekking tot het geldbedrag, dat uit financieel onderzoek de noodzaak tot het aangaan van een lening niet is gebleken en voorts de door [persoon 1] bij de Rijksrecherche afgelegde verklaring dat hij geen leningen heeft verstrekt, niet aannemelijk geworden dat verdachte het bedrag van € 20.000,- in privé heeft geleend van [persoon 1]. Het feit dat betrokkene het bedrag op 14 december 2010 (de boekdatum op het door betrokkene ter zitting d.d. 15 december 2014 overgelegde rekeningoverzicht) aan [persoon 1] heeft terugbetaald kan daaraan niet afdoen, nu dit lang geschiedde nadat de overdracht van het geld aan betrokkene aan het licht was gekomen en hij daarover was ondervraagd door de Rijksrecherche, alsmede kort voor de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak in eerste aanleg.
Er zijn geen kosten in rekening gebracht. [4]
Op grond van bovengenoemd arrest van het gerechtshof d.d. 27 december 2012 en voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de meervoudige strafkamer van de rechtbank van oordeel dat [verdachte] voornoemd voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten terzake waarvan hij is veroordeeld.
De rechtbank schat het voordeel van betrokkene op € 20.000,-. In verband met een overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank -in navolging van de officier van justitie- een korting toepassen van 10% (zie HR 9 januari 2001, NJ 2001/307), zodat het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene definitief wordt vastgesteld op
€ 18.000,-.

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

De rechtbank:

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 18.000,-(achttienduizend euro).
Legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van
€ 18.000,-(voluit achttienduizend euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.W.H. Renneberg, voorzitter,
mr. S.J.W. Hermans en mr. R.J. Bokhorst, leden,
in tegenwoordigheid van mr. P. van Etteger-Lubbers, griffier,
en is uitgesproken op 26 januari 2015.

Voetnoten

1.Ontnemingsdossier, proces-verbaal bevindingen p. 13 en ontvangstbewijs p.15
2.Ontnemingsdossier, proces-verbaal verhoor verdachte, p. 33 en 34
3.Ontnemingsdossier, proces-verbaal verhoor verdachte, p. 405
4.Ontnemingsdossier, p. 10