Memorie van antwoord:
(ten aanzien van artikel 3, lid 2, van het ontwerp van Wet)
Het lijkt de ondergetekenden nuttig in dit verband op te merken, dat, anders dan het slijtersbedrijf, de z.g. „horeca"-bedrijvigheid in de praktijk een veelheid van schakeringen vertoont.
(…)
(ten aanzien van artikel 3, lid 3, van het ontwerp van Wet)
De in dit lid vervatte omschrijving van het begrip „slijtersbedrijf" brengt mede, dat een ieder, die bedrijfsmatig aan particulieren sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse verstrekt, daartoe op grond van het eerste lid, onder b, in het bezit moet zijn van een vergunning. Een „grossier", die mede aan particulieren levert, oefent in zoverre het slijtersbedrijf uit en heeft daartoe een vergunning nodig. Dit volgt rechtstreeks uit de gegeven omschrijving. Een opsomming, daarnaast, van de categorieën afnemers, aan wie hij zonder vergunning mag leveren, is, in het licht van het bovenstaande, overbodig.
(…)
Het geven van een aanwijzing betreffende alcoholpercentage bij verkoop zowel van zwak-alcoholische als van sterke drank behoort naar de mening van de ondergetekenden tot de normale service, welke bij het verstrekken van drank aan het publiek dient te worden geboden. Voor de veronderstelling, dat de vraag naar sterke drank met het hoogste alcoholpercentage zal toenemen, omdat daarmede de beste kwaliteit zou worden verkregen, zijn naar de mening van ondergetekenden onvoldoende indicaties aanwezig. Het is immers algemeen bekend te achten, dat de kwaliteit van de drank behalve van het alcoholpercentage van vele andere factoren afhankelijk is. Bovendien kunnen de kopers van drank van hun leveranciers, gezien de aan dezen gestelde eisen van vakbekwaamheid, ter zake de nodige deskundige voorlichting ontvangen.
(Kamerstukken II 1962-1963, 6811, nr.5, MvA, p. 7-9)