De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van valsheid in geschrift bij hypothecaire geldleningen. De tenlastelegging betrof twee feiten: het gebruik van een valse werkgeversverklaring en salarisspecificaties bij aanvragen van hypotheken voor twee verschillende percelen.
De rechtbank oordeelde dat de hypotheekgegevens van het eerste perceel onrechtmatig verkregen waren en sprak verdachte vrij van het eerste feit. Voor het tweede feit was voldoende bewijs, waaronder een valse salarisspecificatie die door verdachte zelf was overgelegd bij de aanvraag van een hypothecaire lening voor een recreatiewoning.
Verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk gebruik van een vals geschrift met een geldboete van €7.500,- en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, het vertrouwen dat werd geschonden, maar ook met de langdurige inactiviteit in het onderzoek en het ontbreken van eerdere soortgelijke veroordelingen.