De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte, een advocaat, veroordeeld voor valsheid in geschrift gepleegd in de periode van april tot december 2011. Verdachte heeft een verklaring van een cliënt zodanig geredigeerd dat deze de uiterlijke verschijningsvorm kreeg van een door die cliënt zelf opgestelde verklaring, terwijl dit niet het geval was. Deze verklaring bracht verdachte namens zijn cliënt in hoger beroep bij het gerechtshof.
De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met het oogmerk om het geschrift als echt te doen gebruiken, de verklaring valselijk heeft opgemaakt en gebruikt. Verdachte heeft nagelaten te vermelden dat de verklaring niet door de cliënt was ondertekend en dat deze tot stand kwam op basis van een gespreksverslag.
Hoewel de officier van justitie een taakstraf van 150 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand eiste, legde de rechtbank een aanzienlijk lichtere straf op. Gezien de tijd die verstreken is sinds het feit, de eerdere disciplinaire maatregel en de ernst van het feit, werd een geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uur met een proeftijd van één jaar passend geacht.