De Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV) vorderde primair schadevergoeding en subsidiair de onverbindendheid van bepalingen uit de Verordening Ruimte 2014 (VR 2014) en de Brabantse Zorgvuldigheidsscore (BZV), stellende dat de Provincie Noord-Brabant onrechtmatig handelt jegens haar leden door het opleggen van kosten zonder financiële compensatie.
De Provincie stelde dat NVV niet-ontvankelijk was omdat er een bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat voor toetsing van het beleid en omdat NVV niet voldeed aan het overlegvereiste van artikel 3:305a lid 2 BW. De rechtbank oordeelde dat de civiele rechter geen taak heeft bij toetsing van algemeen verbindende voorschriften als er een bestuursrechtelijke rechtsgang is, en dat NVV geen vordering tot schadevergoeding kan instellen volgens artikel 3:305a lid 3 BW.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat NVV onvoldoende had aangetoond dat zij voorafgaand aan de procedure overleg had gevoerd met de Provincie, noch dat overleg zinloos was. Dit leidde tot niet-ontvankelijkheid van NVV in haar vorderingen.
De rechtbank veroordeelde NVV tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de Provincie en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.