De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het opzettelijk in een hulpeloze toestand brengen of laten van haar pasgeboren tweeling, terwijl de kinderen door haar partner werden mishandeld. De partner van verdachte was reeds veroordeeld voor zware mishandeling van de kinderen waarbij meerdere ribbreuken en fracturen waren vastgesteld.
De officier van justitie stelde dat verdachte wist van de mishandeling en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de kinderen in een hulpeloze toestand zouden verkeren, zonder in te grijpen. De verdediging voerde aan dat verdachte niet opzettelijk handelde en vrijspraak verdiende.
Uit het dossier en de zitting bleek dat verdachte niet de wil had om haar kinderen in een mishandelde situatie te brengen en dat zij geen aanwijzingen had dat de ernstige breuken bij de kinderen bekend waren. Verdachte had wel blauwe plekken gezien en ruw gedrag van haar partner, maar geen zichtbare ernstige verwondingen of klachten. Hulpverleners hadden eveneens geen aanleiding tot direct ingrijpen gezien.
De rechtbank concludeerde dat het opzet en het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans ontbraken, mede omdat de ribbreuken niet zichtbaar waren en verdachte op het moment van de gevaarlijke situatie op 24 februari 2014 adequaat handelde. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging.