Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2015 in de zaak tussen
[eisers]
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, verweerder
Cleanergy B.V., te Wanroij, (verder: Cleanergy) gemachtigde: mr. M.J.C. Mol).
Rechtbank Oost-Brabant
Eisers hebben beroep ingesteld tegen een besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant waarin hun verzoek om handhavend op te treden tegen de inrichting van Cleanergy werd afgewezen. De inrichting betreft een vergister op een industrieterrein, waarvoor een milieuvergunning is verleend en gewijzigd. Eisers stelden dat Cleanergy vergunningsvoorschriften overtrad en zonder vergunning wijzigingen aan de inrichting had aangebracht.
De rechtbank constateert dat Gedeputeerde Staten ten tijde van het bestreden besluit niet langer bevoegd waren tot handhaving op grond van artikel 6.7 van het Besluit omgevingsrecht, omdat deze bevoegdheid per 1 januari 2014 is vervallen zonder overgangsrecht. De vergunningverlening was inmiddels overgegaan naar het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint Anthonis.
Gezien het vervallen van de handhavingsbevoegdheid van verweerder kunnen eisers met hun beroep niet bereiken wat zij beogen, namelijk handhaving tegen Cleanergy. Ook de latere vergunningaanvragen van Cleanergy bevestigen dat verweerder geen andere handhavingsbevoegdheid heeft. Daarom ontbreekt procesbelang en is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat verweerder niet langer bevoegd is tot handhaving.