ECLI:NL:RBOBR:2015:539

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2015
Publicatiedatum
2 februari 2015
Zaaknummer
14_225
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:1 AwbArt. 6.7 BorArt. 3.3 BorArt. 2.1 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen procesbelang bij beroep tegen handhavingsbesluit na vervallen bevoegdheid

Eisers hebben beroep ingesteld tegen een besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant waarin hun verzoek om handhavend op te treden tegen de inrichting van Cleanergy werd afgewezen. De inrichting betreft een vergister op een industrieterrein, waarvoor een milieuvergunning is verleend en gewijzigd. Eisers stelden dat Cleanergy vergunningsvoorschriften overtrad en zonder vergunning wijzigingen aan de inrichting had aangebracht.

De rechtbank constateert dat Gedeputeerde Staten ten tijde van het bestreden besluit niet langer bevoegd waren tot handhaving op grond van artikel 6.7 van het Besluit omgevingsrecht, omdat deze bevoegdheid per 1 januari 2014 is vervallen zonder overgangsrecht. De vergunningverlening was inmiddels overgegaan naar het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint Anthonis.

Gezien het vervallen van de handhavingsbevoegdheid van verweerder kunnen eisers met hun beroep niet bereiken wat zij beogen, namelijk handhaving tegen Cleanergy. Ook de latere vergunningaanvragen van Cleanergy bevestigen dat verweerder geen andere handhavingsbevoegdheid heeft. Daarom ontbreekt procesbelang en is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat verweerder niet langer bevoegd is tot handhaving.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 14/225

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2015 in de zaak tussen

[eisers]

[eisers],te [woonplaats],
gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. F.H. Damen),
en

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Meijs).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
Cleanergy B.V., te Wanroij, (verder: Cleanergy) gemachtigde: mr. M.J.C. Mol).

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen de inrichting van Cleanergy afgewezen.
Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij besluit van 12 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank.
Op 15 april 2014 is een inlichtingencomparitie gehouden waar eisers en hun gemachtigde, alsmede de gemachtigde van verweerder, zijn verschenen. Op 26 november 2014 heeft de griffier een onderzoek ter plaatse ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2014. De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummers SHE 14/721 en SHE 14/2494. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens Cleanergy is [persoon] verschenen alsmede haar gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De inrichting van Cleanergy is gelegen op industrieterrein Molenveld te Wanroij. Eisers zijn woonachtig in de omgeving van de inrichting en hebben vanuit hun woning zicht op de inrichting.
2. Op 6 maart 2012 heeft verweerder aan Cleanergy een oprichtingsvergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend voor het vergisten van een mengsel van dierlijke meststoffen en co-substraten. Deze is gewijzigd bij besluit van 4 februari 2013. In het besluit van 4 februari 2013 is de vergunning voor de eerder vergunde uitbreidingen ingetrokken en is de capaciteit van de inrichting tot 36.000 ton per jaar aan dierlijke mest en co-substraten beperkt. Verder zijn gewijzigde voorschriften verbonden aan de milieuvergunning van 6 maart 2012. Tot de inrichting zoals deze in werking is na de gedeeltelijke intrekking en wijziging van de vergunning, behoort geen IPPC-installatie. De gewijzigde vergunning is onherroepelijk sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Afdeling) van 19 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:555).
3. Eisers hebben op 3 januari 2013 een verzoek om handhavend optreden ingediend bij verweerder vanwege een aantal door hen gestelde overtredingen van de vergunningsvoorschriften respectievelijk het wijzigen van de inrichting zonder de daartoe benodigde omgevingsvergunning.
4. Cleanergy heeft nog een tweetal aanvragen voor wijziging van de inrichting (als bedoeld in artikel 2.1. , eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingediend. Zij heeft allereerst op 15 april 2014 een aanvraag voor een uitbreiding ingediend bij verweerder. Tot deze uitbreiding behoort onder meer een IPPC-installatie. Zij heeft daarnaast op 16 juli 2014 een aanvraag ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint Anthonis (hierna: het college van B&W). Deze tweede aanvraag ziet op een wijziging van de vergunningsvoorschriften met betrekking tot de inrichting, zoals vergund met ingang van 4 februari 2013. In de tweede aanvraag wordt géén IPPC installatie aangevraagd.
5. In het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek om handhaving afgewezen, mede onder verwijzing naar het advies van de provinciale hoor- en adviescommissie.
6. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eisers nog een procesbelang hebben bij de behandeling van het beroep tegen het bestreden besluit en overweegt hiertoe het volgende.
7. Ten tijde van het bestreden besluit was niet verweerder bevoegd gezag voor vergunningverlening, maar het college van B&W. Tot de inrichting behoorde op dat moment géén IPPC-installatie en verweerder was daarom niet bevoegd ingevolge artikel 3.3, eerste lid, tweede volzin, van het Besluit omgevingsrecht (verder: het Bor). Dit neemt echter niet weg dat sprake is van een inrichting als bedoeld in categorie 7.4 van bijlage I onderdeel C van het Bor en verweerder ten tijde van het bestreden besluit mede bevoegd was tot handhavend optreden op grond van artikel 6.7, derde lid, van het Bor zoals dat luidde tot 1 januari 2014. Artikel 6.7 van het Bor is echter met ingang van 1 januari 2014 vervallen als gevolg van het besluit van 29 november 2013, houdende vaststelling van het tijdstip waarop artikel 1.2a van het Activiteitenbesluit milieubeheer en enkele artikelen van het Besluit omgevingsrecht (vvgb) vervallen. Dit besluit voorziet niet in overgangsrecht. Het vervallen van verweerders bevoegdheid ingevolge artikel 6.7 van het Bor heeft tot gevolg dat eisers met hun beroep niet meer kunnen bereiken wat zij beogen, namelijk een handhavend optreden door verweerder. Mede gelet op de tweede en laatste aanvraag van Cleanergy van 16 juli 2014 valt niet in te zien dat verweerder thans anderszins bevoegd is handhavend op te treden tegen de door eisers gestelde overtredingen van Cleanergy. Eisers kunnen met het beroep niet meer bereiken dat verweerder gaat optreden tegen Cleanergy ten aanzien van de gestelde overtredingen.
8. De rechtbank is daarom van oordeel dat eisers geen procesbelang meer hebben. Het beroep van eisers is niet-ontvankelijk. Een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden van eisers kan daarom achterwege blijven. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. M. Senden, leden, in aanwezigheid van mr. E.A.C. Spoormakers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2015.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.