ECLI:NL:RBOBR:2015:5793

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 oktober 2015
Publicatiedatum
8 oktober 2015
Zaaknummer
01/850026-11 Ontneming
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens vrijspraak verdachte

De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van €312.763,78 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van verdachte, welke vordering later werd verminderd tot €165.096,24. De zaak betrof betrokkenheid bij een hennepkwekerij.

Tijdens de terechtzittingen op 17 februari en 25 september 2015 werd de vordering behandeld. Op 9 oktober 2015 sprak de rechtbank verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten wegens onvoldoende wettig bewijs.

Gezien deze vrijspraak kon de rechtbank niet overgaan tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e Wetboek van Strafvordering. Ook voor soortgelijke feiten buiten de tenlastegelegde periode werden onvoldoende aanwijzingen gevonden voor daderschap. Daarom werd de vordering tot ontneming afgewezen.

Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen wegens vrijspraak van verdachte.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht
Parketnummer ontneming: 01/850026-11 Datum uitspraak: 09 oktober 2015
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1982,
wonende te [woonadres verdachte] .

Onderzoek van de zaak

De vordering van de officier van justitie d.d. 15 januari 2015 strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 312.763,78 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van 17 februari 2015 en 25 september 2015.
Ter terechtzitting van 25 september 2015 heeft de officier van justitie de vordering mondeling gewijzigd, in die zin dat nu een bedrag van € 165.096,24 wordt gevorderd.
Bij vonnis van deze rechtbank van 9 oktober 2015 is voornoemde [verdachte] vrijgesproken van hetgeen hem ten laste werd gelegd in de strafzaak onder bovenvermeld parketnummer.

De beoordeling

De vordering is tijdig ingediend.
Gelet op de omstandigheid dat [verdachte] bij vonnis van 9 oktober 2015 is vrijgesproken van hetgeen hem ten laste werd gelegd in verband met het ontbreken van voldoende wettig bewijs voor zijn betrokkenheid bij de hennepkwekerij, kan hem niet ter zake daarvan de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Stafvordering.
Voor zover de vordering is gestoeld op het begaan zijn van soortgelijke feiten aan de tenlastegelegde (eerdere oogsten gegenereerd met die hennepkwekerij en die vallen buiten de tenlastegelegde periode) heeft te gelden dat op grond van de overwegingen van de rechtbank omtrent het daderschap van de betrokkene onvoldoende aanwijzingen worden aangenomen dat deze soortgelijke feiten door de betrokkene zijn begaan. Ook op die grond is dan ook geen plaats voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit heeft tot gevolg dat de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgewezen.

DE UITSPRAAK

Wijst de vordering van de officier van justitie af.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele. voorzitter,
mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. T. van de Woestijne, leden,
in tegenwoordigheid van M.P.M. van Goethem, griffier,
en is uitgesproken op 9 oktober 2015.