Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Procesverloop
Overwegingen
Ingevolge artikel 4, onderdeel 4.1, sub s, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein-1" aangewezen gronden tevens bestemd voor (on)gebouwde parkeervoorzieningen, al dan niet voor gezamenlijk gebruik. Daarbij is niet voorgeschreven dat de parkeervoorzieningen ondergeschikt moeten zijn aan de onder a van dit artikel genoemde bedrijfsactiviteiten. Ook anderszins is in de planregels niet gesteld dat een zelfstandig gebruik als parkeervoorziening niet is toegestaan.
Verzoekster deelt niet het oordeel van de rechtbank in de aangehaalde uitspraak van 4 augustus 2015 en heeft daartegen dan ook hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State(de Afdeling). Hangende het hoger beroep is aan de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij de behandeling van het verzoek op 17 september 2015 heeft de Voorzitter van de Afdeling aan partijen medegedeeld dat binnen zes weken na de zitting uitspraak wordt gedaan in de bodemprocedure. Pas na deze uitspraak staat onherroepelijk vast of verweerder bevoegd is handhavend op te treden. Vooralsnog gaat verzoekster er, gelet op het verhandelde ter zitting, van uit dat het hoger beroep gegrond wordt verklaard.
Uit de systematiek van artikel 4, lid 4.1, van de planregels volgt naar het oordeel van de rechtbank dat ter plaatse alleen de hoofdbedrijfsactiviteiten zijn toegestaan die zijn vermeld in artikel 4, lid 4.1, onder sub a. t/m o. van de planregels. Hierin wordt onder sub a. verwezen naar bedrijven in met name genoemde milieu-categorieën in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Bij het bepaalde in sub b. t/m o. is sprake van specifiek genoemde bedrijfsactiviteiten. Alleen het bepaalde onder m. vormt hierop een uitzondering, nu daarin wordt aangegeven wanneer aan de bedrijfsactiviteit ondergeschikte detailhandel is toegestaan.