De rechtbank Oost-Brabant behandelde het verzoek van curatoren tot verlenging van de inbewaringstelling van de gefailleerde in het faillissement. Gefailleerde was sinds 2 november 2015 in verzekerde bewaring gesteld wegens het niet nakomen van wettelijke verplichtingen in het kader van zijn faillissement.
De rechtbank constateerde dat gefailleerde niet alle vereiste inlichtingen had verstrekt over grote contante geldopnames van zijn bankrekening, waardoor gegronde vrees bestond dat hij zijn verplichtingen niet zou nakomen en vermogensbestanddelen zou onttrekken. Curatoren hadden inmiddels twee tranches contant geld ontvangen, maar de derde tranche bleef onduidelijk.
Hoewel vrijheidsberoving als dwangmiddel nog noodzakelijk was, achtte de rechtbank volledige gijzeling niet langer proportioneel. Daarom werd de inbewaringstelling geschorst onder strikte voorwaarden, waaronder volledige en onverwijlde informatieverstrekking, betaling van een deel van het geld aan de boedel, onthouding van onttrekking van vermogensbestanddelen en verbod op vertrek naar het buitenland zonder toestemming.