ECLI:NL:RBOBR:2015:690

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
11 februari 2015
Publicatiedatum
10 februari 2015
Zaaknummer
01/860193-14
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22c SrArt. 22d SrArt. 24c SrArt. 27 SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling ontuchtige handelingen met minderjarige tot taakstraf en schadevergoeding

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld wegens ontuchtige handelingen gepleegd in oktober 2001 met een meisje dat destijds nog geen zestien jaar was. De bewezenverklaring betreft het betasten van de borsten, vagina en clitoris van het slachtoffer. Verdachte werd vrijgesproken van de aantijging dat het slachtoffer zijn penis had betast, omdat dit niet overtuigend bewezen was.

De rechtbank achtte de strafbaarheid van het feit en verdachte onomstreden. De officier van justitie had een gevangenisstraf van drie maanden geëist, maar de rechtbank legde een lichtere straf op, namelijk een taakstraf van 120 uur, gelet op de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop sinds het delict zonder nieuwe strafbare feiten.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van € 1.000 immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente, en werd de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr opgelegd. De rechtbank wees de vordering van de benadeelde partij volledig toe en veroordeelde verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij en de tenuitvoerleggingskosten.

Het vonnis is gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 11 februari 2015.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur en betaling van € 1.000 immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht
Parketnummer: 01/860193-14
Datum uitspraak: 11 februari 2015
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1968],
wonende te [woonplaats], [adres].
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 januari 2015.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 december 2014.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 30 oktober 2001 tot en met 31 oktober 2001
te Geldrop, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] (geboren op [1987]
), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,
buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande
uit het betasten van de borsten en/of vagina en/of clitoris, in elk geval de
schaamstreek en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en/of het betasten
van zijn, verdachtes, penis door voornoemde [slachtoffer];

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
1.
in de periode van 30 oktober 2001 tot en met 31 oktober 2001 te Geldrop, met [slachtoffer] (geboren op [1987]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande
uit het betasten van de borsten en vagina en clitoris van voornoemde [slachtoffer].
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Meer specifiek overweegt de rechtbank dat, ondanks de consequente verklaringen van aangeefster, onvoldoende overtuigend bewezen is dat aangeefster de penis van verdachte heeft betast, nu verdachte tijdens het Facebook-gesprek dat hij met aangeefster had en waarbij hij zich onbespied waande, heeft gezegd dat zij zijn penis niet heeft vastgepakt.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie acht hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen en eist een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek overeenkomstig het gestelde in artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
De vordering van de benadeelde partij dient geheel te worden toegewezen met oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een meisje van destijds net veertien jaar.
Verdachte heeft door zijn handelen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar lichamelijke integriteit aangetast. Het misbruik moet een grote indruk op haar hebben gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij en de ter zitting voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.
De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat sinds het tijdstip waarop het door hem gepleegde strafbare feit heeft plaatsgehad geruime tijd is verstreken, terwijl verdachte, voor zover nu bekend, in deze periode geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.
Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
Wetboek van Strafrecht art. 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 247.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf en maatregelen.

Taakstrafvoor de duur van
120 uren subsidiair 60 dagen hechtenismet aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht.
De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te
verrichten arbeid.

Maatregelvan
schadevergoeding van € 1000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis.
Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van € 1.000,= (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.000,= immateriële schadevergoeding.
De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissingop de
vordering van de benadeelde partij:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 1.000,= (zegge: duizend euro), te weten € 1.000,= immateriële schadevergoeding.
Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.C.P.M. Valckx, voorzitter,
mr. M.M. Klinkenbijl en mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, leden,
in tegenwoordigheid van G.G. Dirks, griffier,
en is uitgesproken op 11 februari 2015.
Mrs. Valckx en Rijlaarsdam zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.