In deze strafzaak heeft de rechtbank Oost-Brabant op 6 februari 2015 uitspraak gedaan over een klaagschrift van meerdere klagers tegen beslaglegging op documenten en digitale gegevens in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar een verdachte. Het klaagschrift richtte zich primair tegen de beslaglegging en uitlevering van documenten, waaronder potentiële geheimhoudersstukken en usb-sticks.
De rechtbank oordeelde dat klagers 4 en 5 wel ontvankelijk waren als belanghebbenden, ondanks het verweer van de officieren van justitie. De rechtbank stelde vast dat de meeste ordners en mappen die geen geheimhoudersstukken bevatten reeds waren teruggegeven, met uitzondering van enkele kopieën. Het beslag op deze kopieën werd echter als rechtmatig beoordeeld.
Ten aanzien van de potentiële geheimhoudersstukken in vier verzegelde verhuisdozen en usb-sticks, die door klagers 2 en 3 werden beheerd, oordeelde de rechtbank dat het verschoningsrecht was geschonden. De afgeleide verschoningsgerechtigden (klagers 2 en 3) hadden deze stukken niet mogen uitleveren zonder dat de originele geheimhouders de gelegenheid hadden gekregen zich hierover uit te laten. Daarom werd het beslag op deze stukken onrechtmatig verklaard en werd teruggave bevolen.
De rechtbank verklaarde het klaagschrift van klagers 2 en 3 gegrond voor deze stukken en niet-ontvankelijk voor klagers 1, 4 en 5 ten aanzien van deze geheimhoudersstukken. De overige beslagen werden grotendeels gehandhaafd. De beslissing werd genomen door een raadkamer van drie rechters en uitgesproken in openbare zitting.