Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 december 2015 in de zaak tussen
de burgemeester van de gemeente Eindhoven, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
- De bezwaren die de NCTV kennelijk tegen de gastsprekers heeft, zijn ongemotiveerd en rechtvaardigen niet dat de uitnodigingen worden ingetrokken. Het inhoudelijke programma van de conferentie valt hiermee volledig in het water;
- Verweerder is niet bevoegd om handhavend op te treden op grond van artikel 172, leden 2 en 3, van de Gemeentewet, omdat de Wet openbare manifestaties (Wom) op de conferentie van toepassing is. Hij kan uitsluitend in geval van een noodsituatie andere dan in de Wom voorkomende bevoegdheden toepassen en daarvan is hier geen sprake. Uitgaande van de Wom, kan verweerder het recht tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging alleen beperken in het belang van het verkeer of ter bestrijding van wanordelijkheden. Dat is veel beperkter dan de handhaving van de openbare orde, terwijl van wanordelijkheden geen sprake is.
- Voor zover de Wom niet van toepassing zou zijn, is geen sprake is van het verstoren van de openbare orde in de zin van artikel 172, tweede lid, van de Gemeentewet. Uit rechtspraak van de Hoge Raad (verzoekers verwijzen naar ECLI:NL:HR:2007:AZ2104) blijkt dat het moet gaan om een verstoring van enige betekenis van de normale gang van zaken in of aan de desbetreffende openbare ruimte. De conferentie wordt gehouden binnen de muren van de moskee. Uitsluitend degenen die de conferentie zullen bezoeken, worden geconfronteerd met de uitlatingen van de gastsprekers. Die uitlatingen zullen geen verstoring van de normale gang van zaken
- Artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet is niet van toepassing omdat verweerder de bevoegdheid uit dat artikellid niet mag gebruiken ter voorkoming van uitingen die al strafbaar zijn gesteld in het Wetboek van Strafrecht.
- Artikel 172a van de Gemeentewet is niet van toepassing omdat de gastsprekers in Nederland nimmer eerder de orde hebben verstoord.
- Dat de visa van de gastsprekers daadwerkelijk zijn ingetrokken, heeft verweerder niet onderbouwd.
- Het staat allerminst vast dat de gastsprekers wettelijke voorschriften zullen overtreden. Verweerder weet nog helemaal niet welke uitlatingen de gastsprekers zullen doen tijdens de conferentie. Zelfs als strafbare uitlatingen zouden worden gedaan, dan kan verweerder daarvan achteraf aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. Het is niet aan verweerder om daarover op voorhand te oordelen, zelfs niet als hij daarover overleg heeft gehad met de minister van Veiligheid en Justitie, de NCTV en de IND.
- De conferentie wordt nu voor de 32e keer in Nederland georganiseerd en heeft nog nooit geleid tot een verstoring van de openbare orde. Het merendeel van de gastsprekers tegen wie nu volgens verweerder bezwaren bestaan, heeft al eerder in Nederland gesproken en daarbij is de openbare orde niet verstoord.
- Inbreuk op de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting is alleen bij hoge uitzondering gerechtvaardigd. In dit geval is de inbreuk ongeoorloofd; het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 6 en 7 van de Grondwet en de artikelen 9 en 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
heeft verstoorddan wel de openbare orde herhaaldelijk
heeft verstoord. Voor het standpunt van verweerder dat het artikel de mogelijkheid biedt om het verbod op te leggen aan iemand die de openbare orde nog niet eerder heeft verstoord, ziet de voorzieningenrechter dan ook geen aanknopingspunten in de wettekst. Wel heeft verweerder aangevoerd dat hij van mening is dat de zeven gastsprekers met het doen van hun uitlatingen de openbare orde wel degelijk eerder, namelijk in het buitenland, hebben verstoord en dat zodoende niettemin is voldaan aan het in artikel 172a van de Gemeentewet gestelde vereiste. Verweerder heeft daarbij verwezen naar rechtspraak die is gewezen in het kader van de zogeheten Voetbalwet, waaruit zou volgen dat ook gedragingen die in het buitenland zijn verricht, kunnen worden betrokken bij het opleggen van een gebiedsverbod dat is gegrond op artikel 172a van de Gemeentewet. De twijfel die de voorzieningenrechter over de grondslag van het gebiedsverbod heeft, is echter voor de beoordeling van dit verzoek niet doorslaggevend, omdat het gebiedsverbod mede (en naar de voorzieningenrechter begrijpt subsidiair) is gebaseerd op artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. Tegen die grondslag voor het gebiedsverbod hebben verzoekers geen gronden aangevoerd, terwijl de voorzieningenrechter hierboven in rechtsoverweging 14.4 heeft geoordeeld dat verzoekers’ betoog, dat de bevelsbevoegdheid uit dit artikellid te kort zou schieten, geen doel treft. Het eerste lid van artikel 172a zegt uitdrukkelijk dat die wettelijke bevoegdheid, de bevoegdheid van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet niet opzij zet. Ook als je ervan uitgaat dat de bevoegdheid van artikel 172, derde lid, een zogeheten "lichte bevelsbevoegdheid" is en die bevoegdheid alleen mag worden gebruikt in situaties die tot onmiddellijk ingrijpen dwingen, is aan die vereisten in dit geval voldaan.