Op 2 oktober 2013 werd verdachte verdacht van het medeplegen van poging tot doodslag en bedreiging met een vuurwapen te Heesch. De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak na terechtzittingen op 22 oktober 2014 en 4 februari 2015.
De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat verdachte daadwerkelijk met het vuurwapen had geschoten of dat hij met het wapen bedreiging had veroorzaakt. Ook was niet bewezen dat verdachte wist dat hij door misdrijf verkregen goederen had verworven of overgedragen. Wel achtte de rechtbank bewezen dat verdachte een vuurwapen van categorie II of III voorhanden had gehad.
De rechtbank sprak verdachte vrij van de poging tot doodslag, bedreiging en opzetheling, maar veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van vijf maanden voor het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen. Bij de strafoplegging werd rekening gehouden met de ernst van het feit, de aanwezigheid van een kind tijdens het incident en het maatschappelijke belang van normhandhaving tegen vuurwapenbezit.