Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 maart 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
CZ Zorgkantoor, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
23 februari 2015 waarin de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de feiten waarop verweerder de ernstige vermoedens, zijnde de reden van het primaire besluit, heeft gebaseerd, voldoende onderbouwd zijn. Verweerder wijst erop dat de (civiele) voorzieningenrechter dit heeft geoordeeld ondanks het feit dat die vermoedens toen enkel gebaseerd waren op de conceptrapportage van het fraudeonderzoek. Voorts stelt verweerder in het bestreden besluit dat de gestelde eigen positieve ervaring van eiser met Zorggroep Helmond niet betekent dat er daadwerkelijk sprake is geweest van toereikende zorg van goede kwaliteit of van kwalitatief verantwoorde zorg. Verweerder wijst erop dat het ruime, gedegen en diepgaande onderzoek van verweerder leidde tot een andere conclusie. Gezien het voorgaande, de (voorlopige) uitkomsten van het fraudeonderzoek en de uitspraak van de voorzieningenrechter ziet verweerder voldoende aanleiding om het primaire besluit in stand te laten. Verweerder verwijst daarbij naar de artikelen 5.18 en 5.20 van de Regeling Langdurige zorg (Rlz), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 3.3.3, vierde lid, onder a van de Wlz. Verweerder is van mening dat eiser niet in zijn keuzevrijheid is aangetast. Verweerder wijst er op dat eiser in principe de vrije keuze heeft om de zorg in te kopen die hij wenst, als het maar kwalitatief verantwoorde Wlz-zorg is. Van die kwalitatief verantwoorde zorg is volgens verweerder nu juist geen sprake. Dit is volgens verweerder geen beperking van de keuzevrijheid, maar het uitvoeren van de regels zoals de overheid die heeft gesteld. Verweerder is van mening dat geen sprake is van détournement de pouvoir omdat de algemeen te trekken conclusies uit het zeer uitgebreide onderzoek naar de zorgverlening van Zorggroep Helmond toegepast mogen worden op individuele budgethouders. Verweerder stelt dat dit juist wordt gedaan om budgethouders in bescherming te nemen, zodat zij geen kosten maken die later niet uit het pgb gefinancierd blijken te kunnen worden.
1 april 2015 zal intrekken. Eiser had dus vanaf 29 januari 2015 rekening moeten houden met een mogelijke intrekking van zijn pgb en had zich daarop moeten voorbereiden. Dat vervolgens bij het primaire besluit van 9 maart 2015 aan eiser is bericht dat het pgb niet wordt ingetrokken maar dat de - minder verstrekkende - beslissing is genomen dat verweerder niet zal accepteren dat eiser zorg die hij na 1 april 2015 bij Zorggroep Helmond inkoopt ten laste van zijn pgb brengt, betekende weliswaar ook dat eiser Zorggroep Helmond voor 1 april 2015 zou moeten verlaten, maar daar had hij gelet op de brief van 29 januari 2015 toch al van uit moeten gaan. Dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld is dan ook niet gebleken.
Beslissing
mr. P.A. Buijs, leden, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2016.