Uitspraak
1.De procedure
- het laatste tussenvonnis van de rechtbank d.d. 28 november 2012
- de arresten van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 11 maart 2014, 26 mei 2015 en 21 juli 2015
- de akte uitlating na arrest van Westerhof
- de conclusie uitlating arrest van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie] .
2.De verdere beoordeling
8.6.2. [gedaagde in conventie/eiser in reconventie] stelt terecht dat de curator in het faillissement van Aino hem alleen kan aanspreken voor een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door hem als bestuurder van Aino. Tot die bestuurstaak behoort weliswaar tevens het voeren van het bestuur van de onder Aino vallende dochtervennootschappen doch voor zover [gedaagde in conventie/eiser in reconventie] als bestuurder van een gefailleerde dochtervennootschap een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling zou kunnen worden verweten, is dat een kwestie waarvoor alleen de curator in het faillissement van die dochtervennootschap hem kan aanspreken. Hetgeen de rechtbank in de rechtsoverwegingen 4.1.1 (eerste twee volzinnen) en r.o. 4.1.4 van voormeld tussenvonnis heeft overwogen wijst er niet op dat de rechtbank dit niet zou hebben onderkend.
nietovergenomen het oordeel van de rechtbank dat de administratie van Aino als moedermaatschappij op enig moment snel een voldoende betrouwbaar inzicht dient te geven in ook het vermogen en resultaat van haar dochtermaatschappijen. Het enkele feit dat Aino aan het hoofd stond van een aantal dochtermaatschappijen brengt dat volgens het Hof niet mee en aan welke eisen enige specifieke administratie moet voldoen hangt volgens het Hof af van de omstandigheden van het geval.
Brens q.q./Sarper(11 juli 1993, NJ 1993, 713) heeft de Hoge Raad, zo wordt door hem overwogen, niet een hiervan afwijkende maatstaf geformuleerd, maar slechts geoordeeld dat hetgeen de feitenrechter in die zaak omtrent de betekenis van de (deels gelijkluidende) voorganger van het artikel had overwogen (artikel 2:14 oud Pro BW), geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting.
“In het kader van de aansprakelijkheid op grond van 2:138 BW en mede gezien het feit dat er onweerlegbaar vaststaat dat er sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling als gevolg van het niet nakomen van de verplichtingen uit hoofde van de artikelen 2:10 BW en 2: 394 B.W. wordt hiermee ook bevestigd dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement”.
Van Zoolingen), HR 8 juni 2001,
NJ 2001,454(
Panmo), onlangs nog herhaald in HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:233) Indien dat zou komen vast te staan dient nog aannemelijk te zijn dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. De stelplicht en bewijslast rusten op Westerhof, zoals het Gerechtshof heeft overwogen (r.o. 8.7.1.).
en haar dochtervennootschappen.De rechtbank ziet voor dat laatste in beginsel geen basis, aangezien Westerhof in deze zaak alleen optreedt in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Aino N.V. en gesteld noch gebleken is dat de boedels van de diverse vennootschappen niet van elkaar te onderscheiden zouden zijn. Er doet zich dus niet de situatie voor als in het door Westerhof aangehaalde arrest HR 25 september 1987, NJ 1988,136. Voor zover als gevolg van de zogenaamde 403-verklaring sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid voor schulden van de dochters kan dat in het faillissement van Aino N.V. zelf worden afgewikkeld.
3.De beslissing
11 mei 2016:
bewijsstukkenwillen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,
getuigenwillen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op maandagen, donderdagen en vrijdagen in de maanden juni tot en met september 2016 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van de getuigenverhoren zullen worden bepaald,
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,