Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 30 maart 2016
- het proces-verbaal van comparitie van 20 juni 2016.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
904,00(2 punten × tarief € 452,00)
Rechtbank Oost-Brabant
Partijen, beiden afkomstig uit Irak en woonachtig in Nederland, zijn volgens de sjiitische islam getrouwd zonder burgerlijk huwelijk. Na beëindiging van hun affectieve relatie weigerde de man mee te werken aan de ontbinding van het religieuze huwelijk, wat de vrouw dwong in het huwelijk te blijven en haar beperkte in haar levenskeuzes.
De vrouw vorderde in een verstekprocedure dat de man wordt veroordeeld tot medewerking aan de echtscheiding volgens de islamitische regels. De man stelde zich in verzet en voerde onder meer aan dat de burgerlijke rechter niet bevoegd zou zijn en dat het religieuze huwelijk geen rechtsgevolg heeft volgens Nederlands recht.
De rechtbank oordeelde dat de vordering gebaseerd is op onrechtmatige daad en dat de burgerlijke rechter bevoegd is. De feitelijke gevolgen van het voortbestaan van het religieuze huwelijk, zoals sociale belemmeringen, ongelijkheid en risico op eerwraak, zijn onrechtmatige inbreuken op de rechten van de vrouw. De man kon zijn weigering niet rechtvaardigen, omdat deze alleen was ingegeven door financiële motieven omtrent de bruidsgift.
De rechtbank bekrachtigde het verstekvonnis en veroordeelde de man tot medewerking aan de echtscheiding en tot betaling van de kosten van de procedure.
Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot medewerking aan de ontbinding van het religieuze huwelijk volgens sjiitisch-islamitisch recht wegens onrechtmatige daad.