Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Stichting Best Beter, te Best.
Rechtbank Oost-Brabant
Verzoeker, uitbater van een horecagelegenheid in Best, verzocht om een evenementenvergunning voor het exploiteren van een feesttent tijdens carnaval 2016 op het Raadhuisplein. Zijn aanvraag werd buiten behandeling gesteld, waarna aan Stichting Best Beter vergunning werd verleend voor het plaatsen van twee tenten op dezelfde locatie.
Verzoeker stelde dat de veiligheid van de tenten niet gewaarborgd was, onder meer vanwege verlopen certificeringen en onduidelijkheden in het bouwboek. Verweerder stelde dat het veiligheidsproces na een incident in Haaksbergen in 2014 was aangescherpt, met verplichte calamiteitenplannen en controles door hulpdiensten. De certificering van de tenten was geldig tot februari 2017 en de vermeende gebreken in het bouwboek betroffen oude voorschriften.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende concreet had gesteld wat de onveiligheid precies inhield en dat zijn zorgen niet waren onderbouwd. Ook was het niet onzorgvuldig dat de vergunning na de besluitdatum nog werd aangepast op basis van aanvullende correspondentie. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Er was sprake van spoedeisend belang vanwege het naderende evenement, maar de bezwaren van verzoeker tegen de vergunningverlening aan de stichting konden niet worden gehonoreerd. De rechter wees erop dat de bezwaren tegen het buiten behandeling stellen van verzoekers eigen aanvraag in een aparte procedure moeten worden behandeld.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de vergunningverlening aan Stichting Best Beter is afgewezen.