Op 10 april 2016 pleegden verdachte en een medeverdachte een straatroof in Eindhoven waarbij zij het slachtoffer met fors geweld aanvielen en zijn persoonlijke eigendommen, waaronder een gsm, bankpas en fiets, roofden. Het slachtoffer liep blijvend ernstig letsel aan zijn linkeroog op, waardoor het zicht vrijwel verloren is.
De rechtbank oordeelde op basis van camerabeelden, getuigenverklaringen, vondst van een petje op de plaats delict en herkenning door diverse getuigen en medewerkers van de instelling waar de verdachten verblijven, dat verdachte en zijn medeverdachte de daders waren. Het bewijs was wettig en overtuigend. Het verweer van verdachte dat hij niet de dader was en zich in een kroeg bevond, werd verworpen.
De rechtbank kwalificeerde het feit als diefstal met geweld door twee of meer verenigde personen en veroordeelde verdachte tot 21 maanden gevangenisstraf, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Tevens werd verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor een schadevergoeding van €24.000,19 aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade. De vordering van een bedrijf werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Daarnaast gelastte de rechtbank de tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetenties wegens eerdere veroordelingen van verdachte. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de blijvende impact op het slachtoffer en het recidivegevaar van verdachte, en wees een verzoek tot opheffing van voorlopige hechtenis af.