De rechtbank Oost-Brabant heeft op 10 februari 2016 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige voor een periode van tien maanden. Dit besluit volgt op een eerdere beschikking van 10 december 2015 en is genomen omdat de ontwikkelingsbedreigingen voor de minderjarige nog niet zijn afgewend.
De minderjarige verblijft reeds meer dan drie jaar in een pleeggezin en heeft een complexe problematiek met trauma’s en een ernstig verstoorde ouder-kindrelatie. Ondanks psychologische ondersteuning is het contactherstel tussen de minderjarige en zijn ouders nog niet gerealiseerd. De gecertificeerde instelling (GI) en de behandelaar benadrukken het belang van het behoud van perspectief op herstel van het contact, omdat een gezagsbeëindigende maatregel dit zou ondermijnen.
Daarnaast speelt de verwevenheid van de jeugdrechtelijke positie van de minderjarige met de vreemdelingenrechtelijke positie van de ouders en de minderjarige een rol. De verblijfsvergunning van de minderjarige is afhankelijk van de ondertoezichtstelling, en de ouders hebben een afgeleide verblijfsvergunning. De GI streeft ernaar de verblijfsposities los te koppelen om te voorkomen dat de ondertoezichtstelling de ontwikkelingsbedreigingen in stand houdt.
De rechtbank acht het noodzakelijk dat het komende jaar wordt ingezet op ontvlechting van de verblijfsrechtelijke positie en dat bij een eventuele volgende verlenging wordt beoordeeld of voortzetting van de ondertoezichtstelling vanuit jeugdrechtelijk perspectief verantwoord blijft, ongeacht vreemdelingenrechtelijke consequenties. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.