Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
Bewijsoverweging ten aanzien van de feiten 1 en 2.
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4:
- een gevangenisstraf van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde van een contactverbod gedurende de proeftijd met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Onder dit contactverbod vallen ook het bezoeken van wedstrijden van [slachtoffer 1] en het hebben van indirect contact met genoemde personen;
- de maatregel van een contactverbod (38v van het Wetboek van Strafrecht), inhoudende dat verdachte voor een periode van twee jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact op zal nemen met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] met een vervangende hechtenis van ten hoogste zes maanden; Voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, is de vervangende hechtenis die ten uitvoer wordt gelegd ten hoogste één maand.
- dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel van contactverbod;
- gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , met wettelijke rente en het telkens opleggen van de maatregel 36f van het Wetboek van Strafrecht.