ECLI:NL:RBOBR:2016:894
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verplichting om geschil over advocatendeclaraties aan Geschillencommissie Advocatuur voor te leggen
Tussen [B] Advocaten en [gedaagde] ontstond een geschil over onbetaalde declaraties voor juridische diensten verleend tussen 2010 en 2013, met een totaal van €10.255,--. [B] Advocaten vorderde betaling inclusief wettelijke rente, terwijl [gedaagde] stelde dat het bedrag niet in verhouding stond tot de verrichte werkzaamheden en dat sprake was van ondeugdelijk presteren.
De overeenkomst tussen partijen bevatte een clausule dat klachten en geschillen over declaraties aan de Geschillencommissie Advocatuur moesten worden voorgelegd. Sinds de invoering van de Wet positie en toezicht advocatuur per 1 januari 2015 is de burgerlijke rechter bevoegd over declaratiegeschillen, tenzij in de opdrachtbevestiging is afgesproken dat geschillen via arbitrage of een vaststellingsovereenkomst worden beslecht.
De rechtbank oordeelde dat de clausule in de opdrachtbevestiging een verplichting inhoudt om het geschil eerst aan de Geschillencommissie Advocatuur voor te leggen, die als bindend adviseur optreedt. Hierdoor is de rechter niet bevoegd om kennis te nemen van het geschil. De zaak werd verwezen naar een latere rol voor nadere stukken over dit punt en verdere beslissing werd aangehouden.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het geschil eerst aan de Geschillencommissie Advocatuur moet worden voorgelegd en houdt verdere beslissing aan.