Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.[eiser sub 1] ,
[eiseres sub 2],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 28 september 2016
- het proces-verbaal van comparitie van 6 februari 2017.
Rechtbank Oost-Brabant
Eisers kochten een woonboerderij waarin asbest aanwezig was en gaven opdracht tot een asbestinventarisatie. De opdrachtnemer nam monsters en voerde metingen uit, waarbij uiteindelijk een vermoeden van asbestbesmetting ontstond. Dit vermoeden werd echter niet aan eisers gemeld, terwijl deze in de woning aan het klussen waren.
De rechtbank stelde vast dat de opdrachtnemer weliswaar tijdig had geïnformeerd over de eerste monstername en kleefmonsters, maar dat het vermoeden van besmetting pas na ontvangst van de analyse van de kleefmonsters op 26 augustus 2013 ontstond. Eisers waren toen nog aan het werk in de woning zonder beschermende maatregelen.
De rechtbank oordeelde dat de opdrachtnemer niet de zorg had betracht die van een redelijk bekwaam vakgenoot verwacht mag worden door het vermoeden niet te melden, terwijl zij wist dat eisers in de woning werkten. De vordering tot een verklaring voor recht werd toegewezen. De vorderingen van de opdrachtnemer tot betaling en beperking van aansprakelijkheid werden afgewezen, mede omdat de algemene voorwaarden niet rechtsgeldig waren overeengekomen.
De rechtbank wees ook het verweer van eigen schuld af, omdat onvoldoende feiten waren gesteld waaruit schade en eigen schuld konden worden afgeleid. De opdrachtnemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Gedaagde is tekortgeschoten door eisers niet te informeren over het vermoeden van asbestbesmetting en wordt veroordeeld in de proceskosten.