De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van seksueel misbruik van een persoon met een psychische stoornis, in de periode van 2013 tot 2015. Het slachtoffer, werkend bij een integratiebedrijf voor mensen met een beperking, werd vertegenwoordigd door haar zus die aangifte deed. Verdachte erkende seksueel contact, maar betwistte dat het slachtoffer niet in staat was haar wil te bepalen.
De officier van justitie stelde dat het slachtoffer een beperking had en daardoor kwetsbaar was, en dat verdachte hiervan op de hoogte was. De verdediging voerde aan dat het slachtoffer handelingsbekwaam was, een diploma had behaald, werkte en een relatie had, en dat er geen recente rapportages waren die een stoornis bevestigden.
De rechtbank concludeerde dat hoewel er aanwijzingen waren van een beperking bij het slachtoffer uit oudere rapportages, er onvoldoende bewijs was dat zij tijdens de relevante periode niet in staat was haar wil te bepalen of kenbaar te maken. Ook was niet overtuigend vastgesteld dat verdachte hiervan wist. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging.