Uitspraak
[verdachte] ,
bijlage 1) is aan verdachte ten laste gelegd dat:
- ongeveer 35.000 euro,
bovenomschreven voorwerp(en), te weten
wasuit
hetmisdrijf’ in plaats van ‘terwijl hij……..afkomstig
warenuit
enigmisdrijf’. De rechtbank herstelt deze schrijffouten en leest het laatste in plaats van het eerste. Voor zover overigens in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Dat deze samenwerking ook bestond met betrekking tot verdovende middelen blijkt voorts uit het feit dat verdachte, wanneer hij over zichzelf en [medeverdachte 5] praat, op 4 november 2013 in [winkel] zegt dat “wij toch de cannaclub zijn”. Ook zijn zij beide aanwezig op verschillende momenten in [winkel] waarbij klaarblijkelijk grote hoeveelheden geld worden geteld. Ten slotte wil de rechtbank erop wijzen dat uit een OVC-gesprek en sms-bericht kan worden afgeleid dat in de zakelijke samenwerking verdachte uiteindelijk de leiding had over [medeverdachte 5] . Zo begroet [medeverdachte 5] in een OVC-gesprek van 6 november 2013 verdachte met ‘Hé leider’ en wordt overduidelijk verdachte door [medeverdachte 2] in een sms-bericht aan [medeverdachte 4] op 26 februari 2014 aangemerkt als ‘de baas’.
Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij wist van de criminele activiteiten van zijn zoon, verdachte, en [medeverdachte 5] en dat zij daarbij nauw met elkaar samenwerkten. Voorts kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat hij de criminele activiteiten van zijn zoon en [medeverdachte 5] faciliteerde door toe te staan dat zakelijke en drugsgerelateerde gesprekken en ontmoetingen plaatsvonden in zijn antiekzaak, door grote contante geldbedragen in ontvangst te nemen en te bewaren of aan [medeverdachte 5] af te geven, door telefoons in bewaring te nemen en door boodschappen voor verdachte aan te nemen. Tot slot leidt de rechtbank uit de inhoud van een OVC-gesprek van 27 februari 2014 af dat [medeverdachte 13] zijn zoon altijd op de hoogte hield van zijn ( [medeverdachte 13] ) eigen activiteiten.
22 februari 2014 waarbij hij tijd en plaats afspreekt met een onbekend gebleven persoon die dan voor het inladen gebruik maakt van de bedrijfsbus van [medeverdachte 3] die zijn bus op de vooraf afgesproken locatie had achtergelaten, [medeverdachte 2] die persoon op ‘jammers’ in de auto van [medeverdachte 3] wijst en waarbij [medeverdachte 3] uiteindelijk met de ontvangen lading naar, zo concludeert de rechtbank, het bedrijfspand aan [adres 4] rijdt.Voorts blijkt dat [medeverdachte 2] de overdrachten regelt en coördineert wat betreft de leveringen van 3 maart 2014 en 25 maart 2014 en dat hij daarbij ook gebruik maakt van anderen. Bij het laatstgenoemde transport komt ook de betrokkenheid van [medeverdachte 4] naar voren, niet zo zeer als concrete uitvoerder van het transport, maar wel als de persoon die [medeverdachte 2] inschakelt om, nadat hij het observatieteam van de politie in de gaten heeft gekregen, onmiddellijk tassen op te halen en een werkhok leeg te ruimen, daarbij kennelijk doelende op de locatie [adres 7] (woning moeder van [medeverdachte 2] ), alwaar immers uiteindelijk een verborgen ruimte is aangetroffen die ogenschijnlijk was bestemd om daarin een hennepkwekerij aan te leggen en zeer recent grondig was schoongemaakt. Dat het bij deze transporten om hennep ging, leidt de rechtbank af uit opgenomen gesprekken waarin kennelijk bedragen worden genoemd, die, gezien hun hoogte, goed passen bij hennephandel. Ook wijst de rechtbank op de aangetroffen THC sporen in voertuigen die in dit kader door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] werden gebruikt.
23 september 2014 aangetroffen situatie in de hiervoor reeds genoemde opslagbox aan [adres 3] in Best en de opslaglocatie aan de [adres 2] . Uit de bewijs-middelen komt – samengevat – naar voren dat nagenoeg alle benodigdheden voor het totale productieproces van synthetische drugs aanwezig waren, te weten het proces van vervaardiging van BMK uit apaan met zoutzuur, de vervaardiging van amfetamine uit BMK volgens de bekende Leuckartmethode en het tabletteren van MDMA. Ook wordt op beide locaties eindproduct (MDMA/amfetamine) aangetroffen. Voorts verdient opmerking dat de op beide locaties aangetroffen voorwerpen en stoffen evident complementair aan elkaar zijn, in die zin dat als de goederen als aangetroffen op de twee locaties met elkaar gecombineerd worden, dit een compleet drugslaboratorium oplevert, inzetbaar voor bijvoorbeeld de productie van amfetamine en/of MDMA. Op [adres 3] ontbrak een tabletteermachine, die op de [adres 8] werd aangetroffen. Naast de al eerder genoemde omstandigheden waaruit de band tussen [adres 3] en de [adres 8] kan worden afgeleid, wijst de rechtbank op de door de politie geconstateerde overeenkomsten tussen verschillende op deze twee locaties aangetroffen voorwerpen. Zo worden op beide locaties soortgelijke pollepels, soortgelijk zwart verpakkingsplastic/krimpfolie en soort-gelijke sealzakken aangetroffen.
Met betrekking tot de woning aan het [adres] wordt vastgesteld dat verdachte – na remigratie uit Spanje – zich per 14 juni 2012 in Nederland heeft laten inschrijven op het adres [adres] , bij zijn partner [Naam 3] .
De woning aan het [adres 9] is een huurwoning, in eigendom bij [eigenaar woning] . Uit het OVC-gesprek van 4 december 2013 tussen verdachte en een onbekend gebleven persoon blijkt dat verdachte ongeveer € 2.500,- per maand betaalt aan huur voor de woning. Uit onderzoek naar de bankrekeningen van verdachte en zijn partner blijkt dat de huur voor de woning niet giraal wordt afgeschreven. Uit de verklaring van [Naam 4] blijkt dat hij de woning in de periode van 1 april 2009 tot en met maart 2015 aan [Naam 3] heeft verhuurd. In deze periode zou een bedrag van € 112.253,67 aan huur zijn betaald. Volgens [Naam 4] betaalde verdachte in de meeste gevallen de huur zelf contant aan hem.
Ten aanzien van de bij de medeverdachte [medeverdachte 13] – de vader van verdachte – in bewaring gegeven geldbedragen overweegt de rechtbank het volgende. Uit de in de eerder genoemde antiekzaak opgenomen OVC-gesprekken blijkt dat [medeverdachte 13] geldbedragen heeft aangenomen die bestemd waren voor verdachte en deze voor hem in bewaring heeft genomen. Voor de precieze weergave van deze gesprekken verwijst de rechtbank naar de bewijsmiddelenbijlage. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat de medeverdachte [medeverdachte 13] op 21 augustus 2013 een bedrag van ongeveer € 12.800,- in ontvangst heeft genomen voor verdachte, en dat hij in de periode voorafgaande aan 20 december 2013 een bedrag van ongeveer € 68.000,- , op 13 februari 2014 een bedrag van ongeveer € 48.500,- en op 15 maart 2014 een bedrag van ongeveer € 35.000,- in bewaring had voor verdachte. De conclusies die worden getrokken op basis van de OVC-gesprekken worden ondersteund door de eigen verklaring van [medeverdachte 13] van 2 december 2014 waarbij hij verklaart dat verdachte hem wel eens geld gaf om te bewaren en dat verdachte hem wel eens een envelop gaf met – zo begrijpt de rechtbank – geld. Volgens [medeverdachte 13] was het bedrag dat verdachte hem gaf zo tussen de € 10.000,- en € 30.000,-, echter nooit meer dan € 100.000,-. Verder heeft [medeverdachte 13] verklaard dat als [medeverdachte 5] geld kwam halen, dit geld van verdachte was.
De rechtbank stelt vast dat het onderzoek in deze strafzaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat de gelden en goederen waarop de witwasgedragingen van verdachte betrekking zouden hebben van enig misdrijf afkomstig zijn. Witwassen kan in zo’n geval echter bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld of de goederen direct of indirect uit enig misdrijf afkomstig zijn. Daarvoor zal eerst zal moeten worden vastgesteld dat er sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de (legale) herkomst van het geld of de goederen. Deze verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Indien hieraan wordt voldaan en de verklaring van verdachte daartoe dus aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de eventuele alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van dit onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat daarom een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Verdachte heeft in het onderzoek noch ter zitting een verklaring gegeven voor het voorgaande nu hij vanaf de tijd van de actiedag van 23 september 2014 tot heden voortvluchtig is. Gelet op het ontbreken van een verklaring van verdachte en gelet op de onderzoeksbevindingen – die een bevestiging en versterking vormen van het reeds bestaande vermoeden van witwassen – is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de gelden en goederen als hiervoor bedoeld onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.
€ 112.353,67.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat verdachte meermalen geldbedragen en goederen heeft witgewassen. Het gaat in casu niet om feiten die elkaar slechts toevallig opvolgen. De gepleegde feiten staan in onderling verband gelet op de aard, de lange periode en de frequentie van de gepleegde feiten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van gewoontewitwassen, zoals strafbaar gesteld in artikel 420ter Wetboek van Strafrecht.
Ten aanzien van de contante betalingen voor de huur van de woning aan het [adres 9] en de constructie met betrekking tot de Mercedes Benz Vito stelt de rechtbank vast dat het dossier onvoldoende blijk geeft van concrete en daadwerkelijke betrokkenheid van anderen dan verdachte. De enkele omstandigheid dat de partner van verdachte ook in de woning heeft gewoond en in de auto heeft gereden is daartoe onvoldoende. Van medeplegen met betrekking tot deze onderdelen is dan ook geen sprake en verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
20 januari 2014 tot en met 4 juli 2014. Deze geldtransporten zijn als witwasgedragingen in de vorm van ondergronds bankieren ten laste gelegd bij verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] . De rechtbank acht bewezen dat verdachten en zijn medeverdachten lid zijn geweest van een criminele organisatie die mede als oogmerk had het witwassen van de verdiensten van de organisatie (zie hiervoor onder ‘criminele organisatie’). Voor wat betreft de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 5] acht de rechtbank eveneens bewezen dat zij onderdeel uitmaakten van de criminele organisatie voor zover die als oogmerk had de handel in verdovende middelen.
‘business as usual’, was. De rechtbank ziet bovendien in het dossier, het meest sterk in het OVC-gesprek van 22 mei 2014, sterke aanwijzingen dat het onderhavige onderzoek slechts een topje van jarenlange door verdachte geïnitieerde illegale activiteiten heeft blootgelegd.
(bijlage 3)