De burgemeester van Helmond besloot de woning van verzoekster voor vier maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet na de vondst van een kilo cocaïne en restanten amfetamine. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester wel bevoegd was tot sluiting gezien de hoeveelheid drugs, maar dat het besluit niet zorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd.
Specifiek werd onvoldoende aandacht besteed aan de belangen van de minderjarige kinderen in het gezin, ondanks het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Er was wel contact met Veilig Thuis en een gezinscoach, maar het besluit vermeldde niet de inhoud of het resultaat hiervan. Veilig Thuis had bovendien in een brief aangegeven dat het besluit nadelige gevolgen voor de kinderen zou hebben. De burgemeester had dit niet in het besluit betrokken.
De voorzieningenrechter vond dat het algemene belang van de burgemeester bij bescherming van de openbare orde niet opwoog tegen het niet goed gemotiveerde besluit en het onvoldoende meewegen van de belangen van de kinderen. Daarom werd het besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekster.