Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte]
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
Bewijs ten aanzien van de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 4.
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf en/of maatregel.
- een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsrapport van 3 mei 2017;
- gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] met het opleggen van de maatregel 36f van het Wetboek van Strafrecht;
- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 912,35 (zie schriftelijke vordering) en het opleggen van de maatregel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
De voorlopige hechtenis.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
t.a.v. feit 1 subsidiair:poging tot zware mishandelingt.a.v. feit 2 subsidiair:mishandelingt.a.v. feit 4:poging tot zware mishandeling verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair en feit 4:Gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27
5 maanden voorwaardelijkmet een proeftijd