ECLI:NL:RBOBR:2017:3337

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 juni 2017
Publicatiedatum
19 juni 2017
Zaaknummer
16_2214
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij onjuiste tenaamstelling besluit

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand waarin een dwangsom werd afgewezen. Het besluit was echter onjuist aan eiser persoonlijk gericht, terwijl het eigenlijk aan zijn gemachtigde had moeten worden geadresseerd. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat eiser geen belanghebbende is bij het besluit.

De rechtbank overweegt dat het primaire besluit geen rechtsgevolgen voor eiser heeft omdat het niet voor hem bestemd was. De hypothetische mogelijkheid dat het besluit wel rechtsgevolgen zou hebben gehad indien het correct was gericht, leidt niet tot ontvankelijkheid van het bezwaar. Eiser had de onjuiste tenaamstelling eenvoudig kunnen laten corrigeren via contact tussen zijn gemachtigde en verweerder.

Door toch bezwaar en beroep in te stellen, heeft eiser onnodig een procedure gevoerd, wat de rechtbank kwalificeert als misbruik van procesrecht. Daarom wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang en misbruik van procesrecht.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 16/2214

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. J.J.M. Boot),
en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: mr. P.S.J. de Koning).

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser, om op korte termijn een dwangsom vast te stellen in verband met het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar van 6 augustus 2015 tegen verweerders besluit over de vergoeding van rechtsbijstand, verzonden op 23 juni 2015, afgewezen.
Bij niet gedateerd besluit, verzonden op 7 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2017. Eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Bij niet-gedateerd besluit, verzonden 25 juni 2015 heeft verweerder, naar aanleiding van het verzoek van eisers gemachtigde om vaststelling van de vergoeding op de toevoeging met kenmerk [nummer] , in verband met samenhang de vergoeding vastgesteld op de toevoeging met kenmerk [nummer] . Hiertegen heeft eisers gemachtigde op 6 augustus 2015 bezwaar gemaakt.
Op 2 november 2015 heeft eisers gemachtigde verweerder in gebreke gesteld voor het uitblijven van een besluit op het bezwaar van 6 augustus 2015. Bij besluit van 8 december 2015 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Op 1 maart 2016 en 18 maart 2016 heeft eisers gemachtigde verweerder verzocht om een dwangsombeslissing te nemen.
Verweerder heeft bij besluit van 6 april 2016, gericht aan eiser en geadresseerd aan het kantoor van zijn gemachtigde, besloten dat hij eiser geen dwangsom verschuldigd is.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, stellende dat het besluit ten onrechte aan hem is gericht, omdat hij niet om een dwangsom heeft verzocht. Hij verzoekt het besluit ongedaan te maken en hem een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van gelijke datum heeft verweerder besloten dat hij eisers gemachtigde geen dwangsom verschuldigd is.
2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Voor eiser is geen sprake van enig rechtsgevolg. Volgens verweerder heeft eiser een besluit ontvangen dat niet voor hem was bestemd. Hij is ter zake van het dwangsombesluit geen belanghebbende en heeft ook niet om dit besluit gevraagd. Dat het besluit aan hem is geadresseerd, maakt eiser geen belanghebbende bij het primaire besluit. Volgens verweerder valt niet in te zien welk belang hij heeft bij een besluit op bezwaar, waarin wordt erkend dat het besluit niet aan hem toegezonden had moeten worden.
3. Eiser voert aan dat de niet-ontvankelijkverklaring niet strookt met de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Met de overweging dat het primaire besluit wellicht ten onrechte aan eiser gericht was, maar dat er geen sprake was van enig rechtsgevolg, gaat verweerder eraan voorbij dat, als het primaire besluit wel terecht verzonden was aan eiser, het besluit wel degelijk rechtsgevolgen voor hem had gehad. Ter zitting heeft eiser er nog op gewezen dat verweerder in het bestreden besluit stelt dat het dwangsombesluit wellicht ten onrechte aan eiser is gericht. Het gebruik van het woord ‘wellicht’ duidt erop dat bij verweerder ook onduidelijkheid bestaat aan wie hij het primaire besluit had moeten richten.
4. Niet in geschil is dat het op 25 juni 2015 verzonden besluit betrekking heeft op een verzoek om vaststelling van een vergoeding en eisers gemachtigde daarbij belanghebbende is. Eiser is daarbij geen belanghebbende en zou dan ook niet in aanmerking kunnen komen voor dwangsommen in verband met het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar tegen dat besluit. Verweerder heeft dan ook terecht geoordeeld dat het tot eiser gerichte besluit op dit verzoek voor hem geen rechtsgevolgen kon hebben. De - volledig hypothetische - mogelijkheid dat, als het besluit wel terecht tot hem zou zijn gericht, dit voor eiser wel rechtsgevolgen zou hebben gehad, behoefde daarom - uiteraard - niet te leiden tot het ontvankelijk verklaren van het bezwaar. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Alleen al hierom is niet relevant of het verweerder nu wel of niet duidelijk was aan wie het besluit op het verzoek om vaststelling van een dwangsom moest worden gericht.
Eisers betoog faalt.
5. Omdat eiser geen belanghebbende is en het primaire besluit was geadresseerd aan het kantoor van zijn gemachtigde en niet aan hem persoonlijk, had de onjuiste tenaamstelling eenvoudig, zonder eiser te benadelen, kunnen worden gecorrigeerd na contact van eisers gemachtigde met verweerder. In plaats hiervan heeft eiser bezwaar gemaakt en beroep ingesteld.
Deze procedure was niet noodzakelijk. Van een professioneel gemachtigde mag worden verwacht dat hij niet, uit naam van rechtzoekende, onnodig procedures voert. Er is dan ook in dit geval sprake van misbruik van procesrecht. Eisers beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.F. Hooghuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2017.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.