De zaak betreft een geschil over de toewijzing van de uitkering van een kinderspaarpolis afgesloten door vader ten behoeve van dochter. Vader betaalde de premie tot de einddatum en ontving de uitkering van €7.465,76. Dochter vorderde een deel van dit bedrag op grond van een derdenbeding, terwijl moeder zich subsidiar op het bedrag beroept.
De rechtbank stelt vast dat er geen derdenbeding is overeengekomen dat dochter een zelfstandig vorderingsrecht geeft. De kinderspaarpolis is afgesloten toen vader en moeder nog gehuwd waren en bedoeld voor studiekosten van beide kinderen. Omdat zoon nog niet geboren was bij afsluiting, kon de polis alleen op het leven van dochter worden afgesloten.
De rechtbank oordeelt dat het spaartegoed voor beide kinderen bestemd is en dat vader het bedrag naar de bedoeling van partijen heeft besteed. Vader heeft reeds een groot deel van het bedrag voor studiekosten van dochter aangewend en zal hierover verantwoording afleggen. Er is geen sprake van toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad. De vorderingen worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.