Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2017 in de zaak tussen
[eiser 2] en [eiser 1] , te [woonplaats] , eisers,
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, verweerder
(gemachtigde: R. Aartssen).
Procesverloop
Overwegingen
In de eerste plaats omdat zijn beroep is gericht tegen het bestreden besluit I, terwijl hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit I.
In de tweede plaats vanwege het feit dat [eiser 1] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit II, omdat hij op ongeveer 1.500 meter van de inrichting woont en buiten de 98-percentiel en 99-percentiel contour. Gelet hierop is het volgens verweerder niet aannemelijk dat hij gevolgen van enige betekenis kan ondervinden ter plaatse van zijn woning of perceel ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting.
Beroepsgronden [eiser 2]Rechtsongelijkheid
Maximale onnauwkeurigheid
Gehanteerde correctiefactor
Gelet hierop was verweerder ten tijde van het nemen van het primaire besluit niet bevoegd tot handhavend optreden, zodat verweerder het verzoek hiertoe terecht heeft afgewezen. Dat bij de meting op 20 juni 2016 volgens eiser wel sprake was van een overtreding indien zou zijn gerekend met factor 2 leidt niet tot een ander oordeel, omdat het rapport van deze meting te laat gereed was om mee te nemen bij het bestreden besluit I.
Nadien zijn bij metingen geen overtredingen meer geconstateerd, ook niet met toepassing van factor 2. In het midden kan blijven met welke meetonzekerheidscorrectie moet worden gemeten. Deze grond faalt.
Stillegging productieproces
Vergunninghoudster heeft gesteld dat de koolfilters juist zijn geplaatst omdat anders niet kon worden voldaan aan de gestelde geurnormen.
Gevolgde procedures
In hetgeen eiser naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zou hebben gehandeld in strijd met de LHS. Ook anderszins ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de procedure onzorgvuldig is verlopen. Aangezien ten tijde van het nemen van het primaire besluit ook geen sprake meer was van een overtreding, was verweerder niet (meer) bevoegd tot handhavend optreden. Nu verweerder een voornemen tot handhavend optreden heeft gestuurd aan vergunninghoudster toen er sprake was van een overtreding, bestaat voor het oordeel dat verweerder zijn handhavingsinstrumenten onvoldoende benut reeds hierom geen aanleiding. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
Beslissing
- verklaart het beroep, voor zover ingesteld door [eiser 1] , gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit II voor zover daarbij het bezwaar van [eiser 1] ongegrond is verklaard;
- bepaalt dat het bezwaar van [eiser 1] niet-ontvankelijk wordt verklaard en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit II;
- verklaart het beroep, voor zover ingesteld door [eiser 2] , ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan [eiser 1] te vergoeden.