Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2017 in de zaak tussen
[vergunninghoudster](vergunninghoudster), te [plaats] , gemachtigde: mr. J. van Groningen.
Rechtbank Oost-Brabant
Eisers betwisten dat hun woning als bedrijfswoning bij de inrichting van vergunninghoudster wordt beschouwd. De woning maakt feitelijk en planologisch geen deel uit van de inrichting en heeft nooit deel uitgemaakt van een veehouderij. Verweerder had daarom de milieugevolgen van de inrichting voor de woning moeten onderzoeken, wat niet is gebeurd.
De rechtbank stelt vast dat de woning van eisers in een ander bestemmingsplan ligt en een andere bestemming heeft dan de projectlocatie. Eisers wonen op een perceel waar zij een transport- en loonwerkbedrijf exploiteren, wat niet als agrarisch bedrijf wordt aangemerkt volgens het bestemmingsplan. Verweerder heeft ten onrechte de woning als bedrijfswoning aangemerkt en de milieugevolgen niet onderzocht.
Verder oordeelt de rechtbank dat de overschrijding van de drempelwaarde voor dierplaatsen geen aanleiding geeft tot een MER-plicht omdat de wijziging van de inrichting beperkt is. De rechtbank beveelt verweerder aan binnen twaalf weken het gebrek te herstellen door de milieugevolgen voor de woning van eisers te onderzoeken en op basis daarvan een herstelbesluit te nemen. De verdere behandeling van de zaak wordt aangehouden tot de einduitspraak.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de woning geen bedrijfswoning is en draagt verweerder op binnen twaalf weken het milieueffectonderzoek te herstellen.