6.5Verweerder verwijst in het bestreden besluit naar de afweging die door de verenging is gemaakt en heeft zich daarbij aangesloten, zonder een eigen afweging te maken. Eerst in het verweerschrift heeft verweerder aangegeven waarom hij zelf vindt dat de andere locaties minder geschikt zijn. Daarmee heeft verweerder onvoldoende invulling gegeven aan het vereiste van een inzichtelijke en navolgbare afweging van de alternatieven. Het bestreden besluit is niet met vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet van een voldoende draagkrachtige motivering voorzien. Het komt voor vernietiging in aanmerking.
Deze beroepsgrond slaagt.
7. Gelet op het voorafgaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit zal dan ook worden vernietigd.
8. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder een nadere toelichting gegeven op de door hem gemaakte afweging. Ter zitting zijn de alternatieven van nieuwbouw rond het buurthuis De Hoeksteen, Roosenburgstraat, Sansovinostraat en Mardernolaan/Gerretsonlaan uitvoerig besproken. Verweerder heeft toegelicht waarom volgens hem deze alternatieven niet aanmerkelijk minder bezwaren, dat wil zeggen minder nadelige gevolgen, oproepen. Verweerder heeft daarbij gewezen op het gedeeltelijk opheffen van parkeerplaatsen, ongunstiger situering, aanwezig groen of mogelijke leidingen in de grond. Gelet op het verhandelde ter zitting, in combinatie met het verweerschrift, heeft verweerder alsnog een voldoende en navolgbare afweging van de alternatieven gegeven.
De rechtbank ziet daarom aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.
9. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eisers 1 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank, overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, vast op € 990,00 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt
€ 495,00, wegingsfactor 1).
10. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank bepalen dat verweerder eisers 1 en eisers 2 het door elk van hen betaalde griffierecht moet vergoeden.