Eiseres verzocht nadeelcompensatie wegens de onttrekking van toe- en afrit 41 van Rijksweg A59, besloten door de Minister van Infrastructuur en Milieu. De rechtbank onderzocht of de gemeentelijke StructuurvisiePlus en het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) voldoende concreet waren om de onttrekking voorzienbaar te maken voor een redelijk handelend koper ten tijde van de investering in 2004.
De rechtbank concludeerde dat de gemeentelijke beleidsvoornemens onvoldoende concreet waren en dat de rijksoverheid een autonome belangenafweging maakt die niet gebonden is aan gemeentelijke plannen. De Structuurvisie en het GVVP boden geen duidelijke aanwijzingen dat de toe- en afrit 41 zou vervallen, waardoor het besluit niet voorzienbaar was.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en legde een termijn van zes maanden op voor een nieuw besluit. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van eiseres.